ƒ 100,00 uit 1900 had in 2025 dezelfde koopkracht als
€ 1.704,08
Sinds 1900 is het prijspeil 38 keer zo hoog geworden: de prijzen stegen met 3.655,30%, gemiddeld 2,94% per jaar. Daarbij is omgerekend van gulden naar euro, tegen 2,20371 gulden per euro.
Berekend met de jaargemiddelden van de CBS-prijsindex; 2025 is het meest recente volledige jaar.
Andere bedragen uit 1900
Bedragen uit 1900 en hun koopkracht in 2025
In 1900
In 2025
ƒ 1,00
€ 17,04
ƒ 5,00
€ 85,20
ƒ 10,00
€ 170,41
ƒ 25,00
€ 426,02
ƒ 50,00
€ 852,04
ƒ 100,00
€ 1.704,08
ƒ 250,00
€ 4.260,20
ƒ 500,00
€ 8.520,40
ƒ 1.000,00
€ 17.040,80
ƒ 10.000,00
€ 170.408,00
Omgekeerd had € 100,00 in 2025 dezelfde koopkracht als ƒ 5,87 in 1900.
Inflatie sinds 1900
Na 1900 was de inflatie het hoogst in 1918 (19,23%) en het laagst in 1921 (-13,42%).
Het prijspeil sinds 1900, met 1900 als 100. In 2025 was het 3.755,30: sinds 1900 is het prijspeil 38 keer zo hoog geworden.Toon als tabel
Prijspeil van 1900 tot en met 2025 (1900 = 100)
Jaar
Prijspeil (1900 = 100)
Verandering
1900
100,0
–
1901
106,1
6,10%
1902
103,0
-2,92%
1903
103,0
0,00%
1904
106,1
3,01%
1905
106,1
0,00%
1906
106,1
0,00%
1907
107,6
1,41%
1908
110,6
2,79%
1909
109,1
-1,36%
1910
112,1
2,75%
1911
113,6
1,34%
1912
115,2
1,41%
1913
116,7
1,30%
1914
116,7
0,00%
1915
133,3
14,22%
1916
148,5
11,40%
1917
157,6
6,13%
1918
187,9
19,23%
1919
204,5
8,83%
1920
225,8
10,42%
1921
195,5
-13,42%
1922
174,2
-10,90%
1923
166,7
-4,31%
1924
168,2
0,90%
1925
166,7
-0,89%
1926
160,6
-3,66%
1927
160,6
0,00%
1928
162,1
0,93%
1929
160,6
-0,93%
1930
154,5
-3,80%
1931
145,5
-5,83%
1932
134,8
-7,35%
1933
133,3
-1,11%
1934
133,3
0,00%
1935
128,8
-3,38%
1936
125,8
-2,33%
1937
128,8
2,38%
1938
131,8
2,33%
1939
133,3
1,14%
1940
152,9
14,70%
1941
175,2
14,58%
1942
188,2
7,42%
1943
194,8
3,51%
1944
200,0
2,67%
1945
230,1
15,05%
1946
251,0
9,08%
1947
260,1
3,63%
1948
269,3
3,54%
1949
286,3
6,31%
1950
312,4
9,12%
1951
342,5
9,64%
1952
342,5
0,00%
1953
342,5
0,00%
1954
356,2
4,00%
1955
363,0
1,91%
1956
369,9
1,90%
1957
393,9
6,49%
1958
400,7
1,73%
1959
404,1
0,85%
1960
414,4
2,55%
1961
421,3
1,67%
1962
429,4
1,92%
1963
445,8
3,82%
1964
470,3
5,50%
1965
494,9
5,23%
1966
523,5
5,78%
1967
539,9
3,13%
1968
559,8
3,69%
1969
601,5
7,45%
1970
628,1
4,42%
1971
675,5
7,55%
1972
728,3
7,82%
1973
786,5
7,99%
1974
862,3
9,64%
1975
950,2
10,19%
1976
1.033,9
8,81%
1977
1.103,1
6,69%
1978
1.147,8
4,05%
1979
1.196,4
4,23%
1980
1.274,5
6,53%
1981
1.360,2
6,72%
1982
1.441,2
5,96%
1983
1.482,0
2,83%
1984
1.530,5
3,27%
1985
1.564,9
2,25%
1986
1.567,5
0,17%
1987
1.559,8
-0,49%
1988
1.570,8
0,71%
1989
1.588,1
1,10%
1990
1.627,3
2,47%
1991
1.690,1
3,86%
1992
1.752,8
3,71%
1993
1.788,9
2,06%
1994
1.838,2
2,76%
1995
1.871,0
1,78%
1996
1.910,4
2,11%
1997
1.951,6
2,16%
1998
1.989,1
1,92%
1999
2.032,2
2,17%
2000
2.082,9
2,49%
2001
2.178,5
4,59%
2002
2.251,6
3,36%
2003
2.299,7
2,14%
2004
2.326,9
1,18%
2005
2.366,7
1,71%
2006
2.393,9
1,15%
2007
2.432,4
1,61%
2008
2.493,0
2,49%
2009
2.522,7
1,19%
2010
2.554,8
1,27%
2011
2.614,6
2,34%
2012
2.678,8
2,46%
2013
2.746,0
2,51%
2014
2.772,8
0,98%
2015
2.790,8
0,65%
2016
2.799,7
0,32%
2017
2.838,2
1,38%
2018
2.886,8
1,71%
2019
2.962,7
2,63%
2020
3.000,4
1,27%
2021
3.080,8
2,68%
2022
3.388,9
10,00%
2023
3.518,9
3,84%
2024
3.636,7
3,35%
2025
3.755,3
3,26%
Resultaat
ƒ 100,00 uit 1900 heeft in 2025 een koopkracht van
€ 1.704,08
Tussen 1900 en 2025stegen de prijzen met 3.655,30%, gemiddeld 2,94% per jaar.
Begin- en eindjaar zijn hetzelfde, dus er is geen verschil in koopkracht.
Bron: CBS, maandcijfers tot en met september 2026 en jaarcijfers tot en met 2025 (bijgewerkt op ).