ƒ 100,00 uit 1908 had in 2025 dezelfde koopkracht als
€ 1.540,76
Sinds 1908 is het prijspeil 34 keer zo hoog geworden: de prijzen stegen met 3.295,39%, gemiddeld 3,06% per jaar. Daarbij is omgerekend van gulden naar euro, tegen 2,20371 gulden per euro.
Berekend met de jaargemiddelden van de CBS-prijsindex; 2025 is het meest recente volledige jaar.
Andere bedragen uit 1908
Bedragen uit 1908 en hun koopkracht in 2025
In 1908
In 2025
ƒ 1,00
€ 15,41
ƒ 5,00
€ 77,04
ƒ 10,00
€ 154,08
ƒ 25,00
€ 385,19
ƒ 50,00
€ 770,38
ƒ 100,00
€ 1.540,76
ƒ 250,00
€ 3.851,90
ƒ 500,00
€ 7.703,80
ƒ 1.000,00
€ 15.407,60
ƒ 10.000,00
€ 154.075,95
Omgekeerd had € 100,00 in 2025 dezelfde koopkracht als ƒ 6,49 in 1908.
Inflatie in 1908
In 1908 stegen de prijzen met 2,79% ten opzichte van 1907. Dat is lager dan het gemiddelde van 2,94% per jaar sinds 1900.
Na 1908 was de inflatie het hoogst in 1918 (19,23%) en het laagst in 1921 (-13,42%).
Het prijspeil sinds 1908, met 1908 als 100. In 2025 was het 3.395,39: sinds 1908 is het prijspeil 34 keer zo hoog geworden.Toon als tabel
Prijspeil van 1908 tot en met 2025 (1908 = 100)
Jaar
Prijspeil (1908 = 100)
Verandering
1908
100,0
–
1909
98,6
-1,36%
1910
101,4
2,75%
1911
102,7
1,34%
1912
104,2
1,41%
1913
105,5
1,30%
1914
105,5
0,00%
1915
120,5
14,22%
1916
134,3
11,40%
1917
142,5
6,13%
1918
169,9
19,23%
1919
184,9
8,83%
1920
204,2
10,42%
1921
176,8
-13,42%
1922
157,5
-10,90%
1923
150,7
-4,31%
1924
152,1
0,90%
1925
150,7
-0,89%
1926
145,2
-3,66%
1927
145,2
0,00%
1928
146,6
0,93%
1929
145,2
-0,93%
1930
139,7
-3,80%
1931
131,6
-5,83%
1932
121,9
-7,35%
1933
120,5
-1,11%
1934
120,5
0,00%
1935
116,5
-3,38%
1936
113,7
-2,33%
1937
116,5
2,38%
1938
119,2
2,33%
1939
120,5
1,14%
1940
138,2
14,70%
1941
158,4
14,58%
1942
170,2
7,42%
1943
176,1
3,51%
1944
180,8
2,67%
1945
208,0
15,05%
1946
226,9
9,08%
1947
235,2
3,63%
1948
243,5
3,54%
1949
258,9
6,31%
1950
282,5
9,12%
1951
309,7
9,64%
1952
309,7
0,00%
1953
309,7
0,00%
1954
322,1
4,00%
1955
328,2
1,91%
1956
334,4
1,90%
1957
356,1
6,49%
1958
362,3
1,73%
1959
365,4
0,85%
1960
374,7
2,55%
1961
380,9
1,67%
1962
388,2
1,92%
1963
403,1
3,82%
1964
425,2
5,50%
1965
447,5
5,23%
1966
473,3
5,78%
1967
488,2
3,13%
1968
506,1
3,69%
1969
543,9
7,45%
1970
567,9
4,42%
1971
610,8
7,55%
1972
658,5
7,82%
1973
711,1
7,99%
1974
779,7
9,64%
1975
859,1
10,19%
1976
934,8
8,81%
1977
997,4
6,69%
1978
1.037,8
4,05%
1979
1.081,7
4,23%
1980
1.152,4
6,53%
1981
1.229,8
6,72%
1982
1.303,1
5,96%
1983
1.340,0
2,83%
1984
1.383,8
3,27%
1985
1.414,9
2,25%
1986
1.417,3
0,17%
1987
1.410,3
-0,49%
1988
1.420,3
0,71%
1989
1.435,9
1,10%
1990
1.471,3
2,47%
1991
1.528,1
3,86%
1992
1.584,8
3,71%
1993
1.617,5
2,06%
1994
1.662,0
2,76%
1995
1.691,7
1,78%
1996
1.727,3
2,11%
1997
1.764,6
2,16%
1998
1.798,5
1,92%
1999
1.837,4
2,17%
2000
1.883,3
2,49%
2001
1.969,7
4,59%
2002
2.035,8
3,36%
2003
2.079,3
2,14%
2004
2.103,9
1,18%
2005
2.139,9
1,71%
2006
2.164,5
1,15%
2007
2.199,3
1,61%
2008
2.254,1
2,49%
2009
2.280,9
1,19%
2010
2.309,9
1,27%
2011
2.364,0
2,34%
2012
2.422,1
2,46%
2013
2.482,8
2,51%
2014
2.507,1
0,98%
2015
2.523,3
0,65%
2016
2.531,4
0,32%
2017
2.566,2
1,38%
2018
2.610,1
1,71%
2019
2.678,8
2,63%
2020
2.712,8
1,27%
2021
2.785,5
2,68%
2022
3.064,1
10,00%
2023
3.181,6
3,84%
2024
3.288,2
3,35%
2025
3.395,4
3,26%
Resultaat
ƒ 100,00 uit 1908 heeft in 2025 een koopkracht van
€ 1.540,76
Tussen 1908 en 2025stegen de prijzen met 3.295,39%, gemiddeld 3,06% per jaar.
Begin- en eindjaar zijn hetzelfde, dus er is geen verschil in koopkracht.
Bron: CBS, maandcijfers tot en met september 2026 en jaarcijfers tot en met 2025 (bijgewerkt op ).