ƒ 100,00 uit 1909 had in 2025 dezelfde koopkracht als
€ 1.561,94
Sinds 1909 is het prijspeil 34 keer zo hoog geworden: de prijzen stegen met 3.342,07%, gemiddeld 3,10% per jaar. Daarbij is omgerekend van gulden naar euro, tegen 2,20371 gulden per euro.
Berekend met de jaargemiddelden van de CBS-prijsindex; 2025 is het meest recente volledige jaar.
Andere bedragen uit 1909
Bedragen uit 1909 en hun koopkracht in 2025
In 1909
In 2025
ƒ 1,00
€ 15,62
ƒ 5,00
€ 78,10
ƒ 10,00
€ 156,19
ƒ 25,00
€ 390,49
ƒ 50,00
€ 780,97
ƒ 100,00
€ 1.561,94
ƒ 250,00
€ 3.904,86
ƒ 500,00
€ 7.809,72
ƒ 1.000,00
€ 15.619,43
ƒ 10.000,00
€ 156.194,32
Omgekeerd had € 100,00 in 2025 dezelfde koopkracht als ƒ 6,40 in 1909.
Inflatie in 1909
In 1909 daalden de prijzen met 1,36% ten opzichte van 1908. Dat is lager dan het gemiddelde van 2,94% per jaar sinds 1900.
Na 1909 was de inflatie het hoogst in 1918 (19,23%) en het laagst in 1921 (-13,42%).
Het prijspeil sinds 1909, met 1909 als 100. In 2025 was het 3.442,07: sinds 1909 is het prijspeil 34 keer zo hoog geworden.Toon als tabel
Prijspeil van 1909 tot en met 2025 (1909 = 100)
Jaar
Prijspeil (1909 = 100)
Verandering
1909
100,0
–
1910
102,7
2,75%
1911
104,1
1,34%
1912
105,6
1,41%
1913
107,0
1,30%
1914
107,0
0,00%
1915
122,2
14,22%
1916
136,1
11,40%
1917
144,5
6,13%
1918
172,2
19,23%
1919
187,4
8,83%
1920
207,0
10,42%
1921
179,2
-13,42%
1922
159,7
-10,90%
1923
152,8
-4,31%
1924
154,2
0,90%
1925
152,8
-0,89%
1926
147,2
-3,66%
1927
147,2
0,00%
1928
148,6
0,93%
1929
147,2
-0,93%
1930
141,6
-3,80%
1931
133,4
-5,83%
1932
123,6
-7,35%
1933
122,2
-1,11%
1934
122,2
0,00%
1935
118,1
-3,38%
1936
115,3
-2,33%
1937
118,1
2,38%
1938
120,8
2,33%
1939
122,2
1,14%
1940
140,1
14,70%
1941
160,6
14,58%
1942
172,5
7,42%
1943
178,6
3,51%
1944
183,3
2,67%
1945
210,9
15,05%
1946
230,1
9,08%
1947
238,4
3,63%
1948
246,8
3,54%
1949
262,4
6,31%
1950
286,3
9,12%
1951
313,9
9,64%
1952
313,9
0,00%
1953
313,9
0,00%
1954
326,5
4,00%
1955
332,7
1,91%
1956
339,0
1,90%
1957
361,0
6,49%
1958
367,3
1,73%
1959
370,4
0,85%
1960
379,8
2,55%
1961
386,2
1,67%
1962
393,6
1,92%
1963
408,6
3,82%
1964
431,1
5,50%
1965
453,6
5,23%
1966
479,8
5,78%
1967
494,9
3,13%
1968
513,1
3,69%
1969
551,3
7,45%
1970
575,7
4,42%
1971
619,2
7,55%
1972
667,6
7,82%
1973
720,9
7,99%
1974
790,4
9,64%
1975
870,9
10,19%
1976
947,7
8,81%
1977
1.011,1
6,69%
1978
1.052,1
4,05%
1979
1.096,6
4,23%
1980
1.168,2
6,53%
1981
1.246,7
6,72%
1982
1.321,0
5,96%
1983
1.358,4
2,83%
1984
1.402,8
3,27%
1985
1.434,4
2,25%
1986
1.436,8
0,17%
1987
1.429,7
-0,49%
1988
1.439,8
0,71%
1989
1.455,6
1,10%
1990
1.491,6
2,47%
1991
1.549,1
3,86%
1992
1.606,6
3,71%
1993
1.639,7
2,06%
1994
1.684,9
2,76%
1995
1.714,9
1,78%
1996
1.751,1
2,11%
1997
1.788,8
2,16%
1998
1.823,2
1,92%
1999
1.862,7
2,17%
2000
1.909,2
2,49%
2001
1.996,8
4,59%
2002
2.063,8
3,36%
2003
2.107,9
2,14%
2004
2.132,8
1,18%
2005
2.169,3
1,71%
2006
2.194,2
1,15%
2007
2.229,5
1,61%
2008
2.285,1
2,49%
2009
2.312,3
1,19%
2010
2.341,7
1,27%
2011
2.396,5
2,34%
2012
2.455,4
2,46%
2013
2.517,0
2,51%
2014
2.541,5
0,98%
2015
2.558,0
0,65%
2016
2.566,2
0,32%
2017
2.601,5
1,38%
2018
2.646,0
1,71%
2019
2.715,6
2,63%
2020
2.750,1
1,27%
2021
2.823,8
2,68%
2022
3.106,2
10,00%
2023
3.225,4
3,84%
2024
3.333,4
3,35%
2025
3.442,1
3,26%
Resultaat
ƒ 100,00 uit 1909 heeft in 2025 een koopkracht van
€ 1.561,94
Tussen 1909 en 2025stegen de prijzen met 3.342,07%, gemiddeld 3,10% per jaar.
Begin- en eindjaar zijn hetzelfde, dus er is geen verschil in koopkracht.
Bron: CBS, maandcijfers tot en met september 2026 en jaarcijfers tot en met 2025 (bijgewerkt op ).