ƒ 100,00 uit 1910 had in 2025 dezelfde koopkracht als
€ 1.520,14
Sinds 1910 is het prijspeil 33 keer zo hoog geworden: de prijzen stegen met 3.249,96%, gemiddeld 3,10% per jaar. Daarbij is omgerekend van gulden naar euro, tegen 2,20371 gulden per euro.
Berekend met de jaargemiddelden van de CBS-prijsindex; 2025 is het meest recente volledige jaar.
Andere bedragen uit 1910
Bedragen uit 1910 en hun koopkracht in 2025
In 1910
In 2025
ƒ 1,00
€ 15,20
ƒ 5,00
€ 76,01
ƒ 10,00
€ 152,01
ƒ 25,00
€ 380,04
ƒ 50,00
€ 760,07
ƒ 100,00
€ 1.520,14
ƒ 250,00
€ 3.800,36
ƒ 500,00
€ 7.600,71
ƒ 1.000,00
€ 15.201,43
ƒ 10.000,00
€ 152.014,28
Omgekeerd had € 100,00 in 2025 dezelfde koopkracht als ƒ 6,58 in 1910.
Inflatie in 1910
In 1910 stegen de prijzen met 2,75% ten opzichte van 1909. Dat is lager dan het gemiddelde van 2,94% per jaar sinds 1900.
Na 1910 was de inflatie het hoogst in 1918 (19,23%) en het laagst in 1921 (-13,42%).
Het prijspeil sinds 1910, met 1910 als 100. In 2025 was het 3.349,96: sinds 1910 is het prijspeil 33 keer zo hoog geworden.Toon als tabel
Prijspeil van 1910 tot en met 2025 (1910 = 100)
Jaar
Prijspeil (1910 = 100)
Verandering
1910
100,0
–
1911
101,3
1,34%
1912
102,8
1,41%
1913
104,1
1,30%
1914
104,1
0,00%
1915
118,9
14,22%
1916
132,5
11,40%
1917
140,6
6,13%
1918
167,6
19,23%
1919
182,4
8,83%
1920
201,4
10,42%
1921
174,4
-13,42%
1922
155,4
-10,90%
1923
148,7
-4,31%
1924
150,0
0,90%
1925
148,7
-0,89%
1926
143,3
-3,66%
1927
143,3
0,00%
1928
144,6
0,93%
1929
143,3
-0,93%
1930
137,8
-3,80%
1931
129,8
-5,83%
1932
120,2
-7,35%
1933
118,9
-1,11%
1934
118,9
0,00%
1935
114,9
-3,38%
1936
112,2
-2,33%
1937
114,9
2,38%
1938
117,6
2,33%
1939
118,9
1,14%
1940
136,4
14,70%
1941
156,3
14,58%
1942
167,9
7,42%
1943
173,8
3,51%
1944
178,4
2,67%
1945
205,3
15,05%
1946
223,9
9,08%
1947
232,0
3,63%
1948
240,2
3,54%
1949
255,4
6,31%
1950
278,7
9,12%
1951
305,5
9,64%
1952
305,5
0,00%
1953
305,5
0,00%
1954
317,8
4,00%
1955
323,8
1,91%
1956
330,0
1,90%
1957
351,4
6,49%
1958
357,4
1,73%
1959
360,5
0,85%
1960
369,7
2,55%
1961
375,8
1,67%
1962
383,1
1,92%
1963
397,7
3,82%
1964
419,5
5,50%
1965
441,5
5,23%
1966
467,0
5,78%
1967
481,6
3,13%
1968
499,4
3,69%
1969
536,6
7,45%
1970
560,3
4,42%
1971
602,6
7,55%
1972
649,7
7,82%
1973
701,6
7,99%
1974
769,2
9,64%
1975
847,6
10,19%
1976
922,3
8,81%
1977
984,0
6,69%
1978
1.023,9
4,05%
1979
1.067,3
4,23%
1980
1.136,9
6,53%
1981
1.213,4
6,72%
1982
1.285,6
5,96%
1983
1.322,0
2,83%
1984
1.365,3
3,27%
1985
1.396,0
2,25%
1986
1.398,3
0,17%
1987
1.391,4
-0,49%
1988
1.401,2
0,71%
1989
1.416,7
1,10%
1990
1.451,7
2,47%
1991
1.507,7
3,86%
1992
1.563,6
3,71%
1993
1.595,8
2,06%
1994
1.639,8
2,76%
1995
1.669,0
1,78%
1996
1.704,2
2,11%
1997
1.740,9
2,16%
1998
1.774,4
1,92%
1999
1.812,8
2,17%
2000
1.858,1
2,49%
2001
1.943,4
4,59%
2002
2.008,6
3,36%
2003
2.051,5
2,14%
2004
2.075,7
1,18%
2005
2.111,2
1,71%
2006
2.135,5
1,15%
2007
2.169,8
1,61%
2008
2.223,9
2,49%
2009
2.250,4
1,19%
2010
2.279,0
1,27%
2011
2.332,4
2,34%
2012
2.389,7
2,46%
2013
2.449,6
2,51%
2014
2.473,5
0,98%
2015
2.489,6
0,65%
2016
2.497,5
0,32%
2017
2.531,8
1,38%
2018
2.575,2
1,71%
2019
2.642,9
2,63%
2020
2.676,5
1,27%
2021
2.748,3
2,68%
2022
3.023,1
10,00%
2023
3.139,1
3,84%
2024
3.244,2
3,35%
2025
3.350,0
3,26%
Resultaat
ƒ 100,00 uit 1910 heeft in 2025 een koopkracht van
€ 1.520,14
Tussen 1910 en 2025stegen de prijzen met 3.249,96%, gemiddeld 3,10% per jaar.
Begin- en eindjaar zijn hetzelfde, dus er is geen verschil in koopkracht.
Bron: CBS, maandcijfers tot en met september 2026 en jaarcijfers tot en met 2025 (bijgewerkt op ).