ƒ 100,00 uit 1916 had in 2025 dezelfde koopkracht als
€ 1.147,53
Sinds 1916 is het prijspeil 25 keer zo hoog geworden: de prijzen stegen met 2.428,82%, gemiddeld 3,01% per jaar. Daarbij is omgerekend van gulden naar euro, tegen 2,20371 gulden per euro.
Berekend met de jaargemiddelden van de CBS-prijsindex; 2025 is het meest recente volledige jaar.
Andere bedragen uit 1916
Bedragen uit 1916 en hun koopkracht in 2025
In 1916
In 2025
ƒ 1,00
€ 11,48
ƒ 5,00
€ 57,38
ƒ 10,00
€ 114,75
ƒ 25,00
€ 286,88
ƒ 50,00
€ 573,76
ƒ 100,00
€ 1.147,53
ƒ 250,00
€ 2.868,82
ƒ 500,00
€ 5.737,64
ƒ 1.000,00
€ 11.475,29
ƒ 10.000,00
€ 114.752,86
Omgekeerd had € 100,00 in 2025 dezelfde koopkracht als ƒ 8,71 in 1916.
Inflatie in 1916
In 1916 stegen de prijzen met 11,40% ten opzichte van 1915. Dat is hoger dan het gemiddelde van 2,94% per jaar sinds 1900.
Na 1916 was de inflatie het hoogst in 1918 (19,23%) en het laagst in 1921 (-13,42%).
Het prijspeil sinds 1916, met 1916 als 100. In 2025 was het 2.528,82: sinds 1916 is het prijspeil 25 keer zo hoog geworden.Toon als tabel
Prijspeil van 1916 tot en met 2025 (1916 = 100)
Jaar
Prijspeil (1916 = 100)
Verandering
1916
100,0
–
1917
106,1
6,13%
1918
126,5
19,23%
1919
137,7
8,83%
1920
152,1
10,42%
1921
131,6
-13,42%
1922
117,3
-10,90%
1923
112,3
-4,31%
1924
113,3
0,90%
1925
112,3
-0,89%
1926
108,1
-3,66%
1927
108,1
0,00%
1928
109,2
0,93%
1929
108,1
-0,93%
1930
104,0
-3,80%
1931
98,0
-5,83%
1932
90,8
-7,35%
1933
89,8
-1,11%
1934
89,8
0,00%
1935
86,7
-3,38%
1936
84,7
-2,33%
1937
86,7
2,38%
1938
88,8
2,33%
1939
89,8
1,14%
1940
103,0
14,70%
1941
118,0
14,58%
1942
126,7
7,42%
1943
131,2
3,51%
1944
134,7
2,67%
1945
154,9
15,05%
1946
169,0
9,08%
1947
175,2
3,63%
1948
181,3
3,54%
1949
192,8
6,31%
1950
210,4
9,12%
1951
230,6
9,64%
1952
230,6
0,00%
1953
230,6
0,00%
1954
239,9
4,00%
1955
244,4
1,91%
1956
249,1
1,90%
1957
265,3
6,49%
1958
269,8
1,73%
1959
272,1
0,85%
1960
279,1
2,55%
1961
283,7
1,67%
1962
289,2
1,92%
1963
300,2
3,82%
1964
316,7
5,50%
1965
333,3
5,23%
1966
352,5
5,78%
1967
363,6
3,13%
1968
377,0
3,69%
1969
405,1
7,45%
1970
423,0
4,42%
1971
454,9
7,55%
1972
490,4
7,82%
1973
529,6
7,99%
1974
580,7
9,64%
1975
639,9
10,19%
1976
696,2
8,81%
1977
742,8
6,69%
1978
772,9
4,05%
1979
805,7
4,23%
1980
858,2
6,53%
1981
916,0
6,72%
1982
970,5
5,96%
1983
998,0
2,83%
1984
1.030,6
3,27%
1985
1.053,8
2,25%
1986
1.055,6
0,17%
1987
1.050,4
-0,49%
1988
1.057,8
0,71%
1989
1.069,4
1,10%
1990
1.095,8
2,47%
1991
1.138,1
3,86%
1992
1.180,3
3,71%
1993
1.204,6
2,06%
1994
1.237,8
2,76%
1995
1.259,9
1,78%
1996
1.286,5
2,11%
1997
1.314,2
2,16%
1998
1.339,5
1,92%
1999
1.368,5
2,17%
2000
1.402,6
2,49%
2001
1.467,0
4,59%
2002
1.516,2
3,36%
2003
1.548,6
2,14%
2004
1.566,9
1,18%
2005
1.593,7
1,71%
2006
1.612,1
1,15%
2007
1.638,0
1,61%
2008
1.678,8
2,49%
2009
1.698,8
1,19%
2010
1.720,4
1,27%
2011
1.760,7
2,34%
2012
1.803,9
2,46%
2013
1.849,2
2,51%
2014
1.867,2
0,98%
2015
1.879,3
0,65%
2016
1.885,3
0,32%
2017
1.911,2
1,38%
2018
1.944,0
1,71%
2019
1.995,1
2,63%
2020
2.020,5
1,27%
2021
2.074,6
2,68%
2022
2.282,1
10,00%
2023
2.369,6
3,84%
2024
2.449,0
3,35%
2025
2.528,8
3,26%
Resultaat
ƒ 100,00 uit 1916 heeft in 2025 een koopkracht van
€ 1.147,53
Tussen 1916 en 2025stegen de prijzen met 2.428,82%, gemiddeld 3,01% per jaar.
Begin- en eindjaar zijn hetzelfde, dus er is geen verschil in koopkracht.
Bron: CBS, maandcijfers tot en met september 2026 en jaarcijfers tot en met 2025 (bijgewerkt op ).