ƒ 100,00 uit 1917 had in 2025 dezelfde koopkracht als
€ 1.081,27
Sinds 1917 is het prijspeil 24 keer zo hoog geworden: de prijzen stegen met 2.282,80%, gemiddeld 2,98% per jaar. Daarbij is omgerekend van gulden naar euro, tegen 2,20371 gulden per euro.
Berekend met de jaargemiddelden van de CBS-prijsindex; 2025 is het meest recente volledige jaar.
Andere bedragen uit 1917
Bedragen uit 1917 en hun koopkracht in 2025
In 1917
In 2025
ƒ 1,00
€ 10,81
ƒ 5,00
€ 54,06
ƒ 10,00
€ 108,13
ƒ 25,00
€ 270,32
ƒ 50,00
€ 540,63
ƒ 100,00
€ 1.081,27
ƒ 250,00
€ 2.703,17
ƒ 500,00
€ 5.406,35
ƒ 1.000,00
€ 10.812,69
ƒ 10.000,00
€ 108.126,91
Omgekeerd had € 100,00 in 2025 dezelfde koopkracht als ƒ 9,25 in 1917.
Inflatie in 1917
In 1917 stegen de prijzen met 6,13% ten opzichte van 1916. Dat is hoger dan het gemiddelde van 2,94% per jaar sinds 1900.
Na 1917 was de inflatie het hoogst in 1918 (19,23%) en het laagst in 1921 (-13,42%).
Het prijspeil sinds 1917, met 1917 als 100. In 2025 was het 2.382,80: sinds 1917 is het prijspeil 24 keer zo hoog geworden.Toon als tabel
Prijspeil van 1917 tot en met 2025 (1917 = 100)
Jaar
Prijspeil (1917 = 100)
Verandering
1917
100,0
–
1918
119,2
19,23%
1919
129,8
8,83%
1920
143,3
10,42%
1921
124,0
-13,42%
1922
110,5
-10,90%
1923
105,8
-4,31%
1924
106,7
0,90%
1925
105,8
-0,89%
1926
101,9
-3,66%
1927
101,9
0,00%
1928
102,9
0,93%
1929
101,9
-0,93%
1930
98,0
-3,80%
1931
92,3
-5,83%
1932
85,5
-7,35%
1933
84,6
-1,11%
1934
84,6
0,00%
1935
81,7
-3,38%
1936
79,8
-2,33%
1937
81,7
2,38%
1938
83,6
2,33%
1939
84,6
1,14%
1940
97,0
14,70%
1941
111,2
14,58%
1942
119,4
7,42%
1943
123,6
3,51%
1944
126,9
2,67%
1945
146,0
15,05%
1946
159,3
9,08%
1947
165,0
3,63%
1948
170,9
3,54%
1949
181,7
6,31%
1950
198,2
9,12%
1951
217,3
9,64%
1952
217,3
0,00%
1953
217,3
0,00%
1954
226,0
4,00%
1955
230,3
1,91%
1956
234,7
1,90%
1957
249,9
6,49%
1958
254,3
1,73%
1959
256,4
0,85%
1960
262,9
2,55%
1961
267,3
1,67%
1962
272,5
1,92%
1963
282,9
3,82%
1964
298,4
5,50%
1965
314,0
5,23%
1966
332,2
5,78%
1967
342,6
3,13%
1968
355,2
3,69%
1969
381,7
7,45%
1970
398,5
4,42%
1971
428,6
7,55%
1972
462,1
7,82%
1973
499,0
7,99%
1974
547,1
9,64%
1975
602,9
10,19%
1976
656,0
8,81%
1977
699,9
6,69%
1978
728,3
4,05%
1979
759,1
4,23%
1980
808,7
6,53%
1981
863,1
6,72%
1982
914,5
5,96%
1983
940,4
2,83%
1984
971,1
3,27%
1985
993,0
2,25%
1986
994,6
0,17%
1987
989,7
-0,49%
1988
996,7
0,71%
1989
1.007,7
1,10%
1990
1.032,6
2,47%
1991
1.072,4
3,86%
1992
1.112,2
3,71%
1993
1.135,1
2,06%
1994
1.166,4
2,76%
1995
1.187,2
1,78%
1996
1.212,2
2,11%
1997
1.238,3
2,16%
1998
1.262,1
1,92%
1999
1.289,5
2,17%
2000
1.321,6
2,49%
2001
1.382,3
4,59%
2002
1.428,7
3,36%
2003
1.459,2
2,14%
2004
1.476,5
1,18%
2005
1.501,7
1,71%
2006
1.519,0
1,15%
2007
1.543,4
1,61%
2008
1.581,9
2,49%
2009
1.600,7
1,19%
2010
1.621,1
1,27%
2011
1.659,0
2,34%
2012
1.699,7
2,46%
2013
1.742,4
2,51%
2014
1.759,4
0,98%
2015
1.770,8
0,65%
2016
1.776,5
0,32%
2017
1.800,9
1,38%
2018
1.831,7
1,71%
2019
1.879,9
2,63%
2020
1.903,8
1,27%
2021
1.954,8
2,68%
2022
2.150,3
10,00%
2023
2.232,8
3,84%
2024
2.307,6
3,35%
2025
2.382,8
3,26%
Resultaat
ƒ 100,00 uit 1917 heeft in 2025 een koopkracht van
€ 1.081,27
Tussen 1917 en 2025stegen de prijzen met 2.282,80%, gemiddeld 2,98% per jaar.
Begin- en eindjaar zijn hetzelfde, dus er is geen verschil in koopkracht.
Bron: CBS, maandcijfers tot en met september 2026 en jaarcijfers tot en met 2025 (bijgewerkt op ).