ƒ 100,00 uit 1912 had in 2025 dezelfde koopkracht als
€ 1.479,24
Sinds 1912 is het prijspeil 33 keer zo hoog geworden: de prijzen stegen met 3.159,81%, gemiddeld 3,13% per jaar. Daarbij is omgerekend van gulden naar euro, tegen 2,20371 gulden per euro.
Berekend met de jaargemiddelden van de CBS-prijsindex; 2025 is het meest recente volledige jaar.
Andere bedragen uit 1912
Bedragen uit 1912 en hun koopkracht in 2025
In 1912
In 2025
ƒ 1,00
€ 14,79
ƒ 5,00
€ 73,96
ƒ 10,00
€ 147,92
ƒ 25,00
€ 369,81
ƒ 50,00
€ 739,62
ƒ 100,00
€ 1.479,24
ƒ 250,00
€ 3.698,09
ƒ 500,00
€ 7.396,18
ƒ 1.000,00
€ 14.792,36
ƒ 10.000,00
€ 147.923,61
Omgekeerd had € 100,00 in 2025 dezelfde koopkracht als ƒ 6,76 in 1912.
Inflatie in 1912
In 1912 stegen de prijzen met 1,41% ten opzichte van 1911. Dat is lager dan het gemiddelde van 2,94% per jaar sinds 1900.
Na 1912 was de inflatie het hoogst in 1918 (19,23%) en het laagst in 1921 (-13,42%).
Het prijspeil sinds 1912, met 1912 als 100. In 2025 was het 3.259,81: sinds 1912 is het prijspeil 33 keer zo hoog geworden.Toon als tabel
Prijspeil van 1912 tot en met 2025 (1912 = 100)
Jaar
Prijspeil (1912 = 100)
Verandering
1912
100,0
–
1913
101,3
1,30%
1914
101,3
0,00%
1915
115,7
14,22%
1916
128,9
11,40%
1917
136,8
6,13%
1918
163,1
19,23%
1919
177,5
8,83%
1920
196,0
10,42%
1921
169,7
-13,42%
1922
151,2
-10,90%
1923
144,7
-4,31%
1924
146,0
0,90%
1925
144,7
-0,89%
1926
139,4
-3,66%
1927
139,4
0,00%
1928
140,7
0,93%
1929
139,4
-0,93%
1930
134,1
-3,80%
1931
126,3
-5,83%
1932
117,0
-7,35%
1933
115,7
-1,11%
1934
115,7
0,00%
1935
111,8
-3,38%
1936
109,2
-2,33%
1937
111,8
2,38%
1938
114,4
2,33%
1939
115,7
1,14%
1940
132,7
14,70%
1941
152,1
14,58%
1942
163,4
7,42%
1943
169,1
3,51%
1944
173,6
2,67%
1945
199,7
15,05%
1946
217,9
9,08%
1947
225,8
3,63%
1948
233,8
3,54%
1949
248,5
6,31%
1950
271,2
9,12%
1951
297,3
9,64%
1952
297,3
0,00%
1953
297,3
0,00%
1954
309,2
4,00%
1955
315,1
1,91%
1956
321,1
1,90%
1957
341,9
6,49%
1958
347,8
1,73%
1959
350,8
0,85%
1960
359,7
2,55%
1961
365,7
1,67%
1962
372,7
1,92%
1963
387,0
3,82%
1964
408,2
5,50%
1965
429,6
5,23%
1966
454,4
5,78%
1967
468,7
3,13%
1968
485,9
3,69%
1969
522,1
7,45%
1970
545,2
4,42%
1971
586,4
7,55%
1972
632,2
7,82%
1973
682,7
7,99%
1974
748,5
9,64%
1975
824,8
10,19%
1976
897,5
8,81%
1977
957,6
6,69%
1978
996,4
4,05%
1979
1.038,5
4,23%
1980
1.106,3
6,53%
1981
1.180,7
6,72%
1982
1.251,0
5,96%
1983
1.286,5
2,83%
1984
1.328,6
3,27%
1985
1.358,4
2,25%
1986
1.360,7
0,17%
1987
1.354,0
-0,49%
1988
1.363,5
0,71%
1989
1.378,6
1,10%
1990
1.412,6
2,47%
1991
1.467,1
3,86%
1992
1.521,5
3,71%
1993
1.552,9
2,06%
1994
1.595,7
2,76%
1995
1.624,1
1,78%
1996
1.658,3
2,11%
1997
1.694,1
2,16%
1998
1.726,6
1,92%
1999
1.764,1
2,17%
2000
1.808,1
2,49%
2001
1.891,1
4,59%
2002
1.954,5
3,36%
2003
1.996,3
2,14%
2004
2.019,9
1,18%
2005
2.054,4
1,71%
2006
2.078,0
1,15%
2007
2.111,5
1,61%
2008
2.164,1
2,49%
2009
2.189,8
1,19%
2010
2.217,7
1,27%
2011
2.269,6
2,34%
2012
2.325,3
2,46%
2013
2.383,7
2,51%
2014
2.406,9
0,98%
2015
2.422,6
0,65%
2016
2.430,3
0,32%
2017
2.463,7
1,38%
2018
2.505,9
1,71%
2019
2.571,8
2,63%
2020
2.604,5
1,27%
2021
2.674,3
2,68%
2022
2.941,8
10,00%
2023
3.054,6
3,84%
2024
3.156,9
3,35%
2025
3.259,8
3,26%
Resultaat
ƒ 100,00 uit 1912 heeft in 2025 een koopkracht van
€ 1.479,24
Tussen 1912 en 2025stegen de prijzen met 3.159,81%, gemiddeld 3,13% per jaar.
Begin- en eindjaar zijn hetzelfde, dus er is geen verschil in koopkracht.
Bron: CBS, maandcijfers tot en met september 2026 en jaarcijfers tot en met 2025 (bijgewerkt op ).