ƒ 100,00 uit 1911 had in 2025 dezelfde koopkracht als
€ 1.500,07
Sinds 1911 is het prijspeil 33 keer zo hoog geworden: de prijzen stegen met 3.205,72%, gemiddeld 3,12% per jaar. Daarbij is omgerekend van gulden naar euro, tegen 2,20371 gulden per euro.
Berekend met de jaargemiddelden van de CBS-prijsindex; 2025 is het meest recente volledige jaar.
Andere bedragen uit 1911
Bedragen uit 1911 en hun koopkracht in 2025
In 1911
In 2025
ƒ 1,00
€ 15,00
ƒ 5,00
€ 75,00
ƒ 10,00
€ 150,01
ƒ 25,00
€ 375,02
ƒ 50,00
€ 750,04
ƒ 100,00
€ 1.500,07
ƒ 250,00
€ 3.750,18
ƒ 500,00
€ 7.500,35
ƒ 1.000,00
€ 15.000,70
ƒ 10.000,00
€ 150.007,05
Omgekeerd had € 100,00 in 2025 dezelfde koopkracht als ƒ 6,67 in 1911.
Inflatie in 1911
In 1911 stegen de prijzen met 1,34% ten opzichte van 1910. Dat is lager dan het gemiddelde van 2,94% per jaar sinds 1900.
Na 1911 was de inflatie het hoogst in 1918 (19,23%) en het laagst in 1921 (-13,42%).
Het prijspeil sinds 1911, met 1911 als 100. In 2025 was het 3.305,72: sinds 1911 is het prijspeil 33 keer zo hoog geworden.Toon als tabel
Prijspeil van 1911 tot en met 2025 (1911 = 100)
Jaar
Prijspeil (1911 = 100)
Verandering
1911
100,0
–
1912
101,4
1,41%
1913
102,7
1,30%
1914
102,7
0,00%
1915
117,3
14,22%
1916
130,7
11,40%
1917
138,7
6,13%
1918
165,4
19,23%
1919
180,0
8,83%
1920
198,8
10,42%
1921
172,1
-13,42%
1922
153,3
-10,90%
1923
146,7
-4,31%
1924
148,1
0,90%
1925
146,7
-0,89%
1926
141,4
-3,66%
1927
141,4
0,00%
1928
142,7
0,93%
1929
141,4
-0,93%
1930
136,0
-3,80%
1931
128,1
-5,83%
1932
118,7
-7,35%
1933
117,3
-1,11%
1934
117,3
0,00%
1935
113,4
-3,38%
1936
110,7
-2,33%
1937
113,4
2,38%
1938
116,0
2,33%
1939
117,3
1,14%
1940
134,6
14,70%
1941
154,2
14,58%
1942
165,7
7,42%
1943
171,5
3,51%
1944
176,1
2,67%
1945
202,6
15,05%
1946
221,0
9,08%
1947
229,0
3,63%
1948
237,1
3,54%
1949
252,0
6,31%
1950
275,0
9,12%
1951
301,5
9,64%
1952
301,5
0,00%
1953
301,5
0,00%
1954
313,6
4,00%
1955
319,5
1,91%
1956
325,6
1,90%
1957
346,7
6,49%
1958
352,7
1,73%
1959
355,7
0,85%
1960
364,8
2,55%
1961
370,9
1,67%
1962
378,0
1,92%
1963
392,4
3,82%
1964
414,0
5,50%
1965
435,7
5,23%
1966
460,8
5,78%
1967
475,3
3,13%
1968
492,8
3,69%
1969
529,5
7,45%
1970
552,9
4,42%
1971
594,6
7,55%
1972
641,1
7,82%
1973
692,3
7,99%
1974
759,1
9,64%
1975
836,4
10,19%
1976
910,1
8,81%
1977
971,0
6,69%
1978
1.010,4
4,05%
1979
1.053,2
4,23%
1980
1.121,9
6,53%
1981
1.197,4
6,72%
1982
1.268,7
5,96%
1983
1.304,6
2,83%
1984
1.347,3
3,27%
1985
1.377,6
2,25%
1986
1.379,8
0,17%
1987
1.373,1
-0,49%
1988
1.382,7
0,71%
1989
1.398,0
1,10%
1990
1.432,5
2,47%
1991
1.487,8
3,86%
1992
1.543,0
3,71%
1993
1.574,7
2,06%
1994
1.618,1
2,76%
1995
1.647,0
1,78%
1996
1.681,7
2,11%
1997
1.718,0
2,16%
1998
1.751,0
1,92%
1999
1.788,9
2,17%
2000
1.833,5
2,49%
2001
1.917,7
4,59%
2002
1.982,0
3,36%
2003
2.024,4
2,14%
2004
2.048,3
1,18%
2005
2.083,4
1,71%
2006
2.107,3
1,15%
2007
2.141,2
1,61%
2008
2.194,5
2,49%
2009
2.220,7
1,19%
2010
2.248,9
1,27%
2011
2.301,6
2,34%
2012
2.358,1
2,46%
2013
2.417,3
2,51%
2014
2.440,8
0,98%
2015
2.456,7
0,65%
2016
2.464,5
0,32%
2017
2.498,4
1,38%
2018
2.541,2
1,71%
2019
2.608,0
2,63%
2020
2.641,2
1,27%
2021
2.712,0
2,68%
2022
2.983,2
10,00%
2023
3.097,6
3,84%
2024
3.201,3
3,35%
2025
3.305,7
3,26%
Resultaat
ƒ 100,00 uit 1911 heeft in 2025 een koopkracht van
€ 1.500,07
Tussen 1911 en 2025stegen de prijzen met 3.205,72%, gemiddeld 3,12% per jaar.
Begin- en eindjaar zijn hetzelfde, dus er is geen verschil in koopkracht.
Bron: CBS, maandcijfers tot en met september 2026 en jaarcijfers tot en met 2025 (bijgewerkt op ).