ƒ 100,00 uit 1918 had in 2025 dezelfde koopkracht als
€ 906,91
Sinds 1918 is het prijspeil 20 keer zo hoog geworden: de prijzen stegen met 1.898,56%, gemiddeld 2,84% per jaar. Daarbij is omgerekend van gulden naar euro, tegen 2,20371 gulden per euro.
Berekend met de jaargemiddelden van de CBS-prijsindex; 2025 is het meest recente volledige jaar.
Andere bedragen uit 1918
Bedragen uit 1918 en hun koopkracht in 2025
In 1918
In 2025
ƒ 1,00
€ 9,07
ƒ 5,00
€ 45,35
ƒ 10,00
€ 90,69
ƒ 25,00
€ 226,73
ƒ 50,00
€ 453,45
ƒ 100,00
€ 906,91
ƒ 250,00
€ 2.267,27
ƒ 500,00
€ 4.534,54
ƒ 1.000,00
€ 9.069,08
ƒ 10.000,00
€ 90.690,79
Omgekeerd had € 100,00 in 2025 dezelfde koopkracht als ƒ 11,03 in 1918.
Inflatie in 1918
In 1918 stegen de prijzen met 19,23% ten opzichte van 1917. Dat is hoger dan het gemiddelde van 2,94% per jaar sinds 1900.
Na 1918 was de inflatie het hoogst in 1945 (15,05%) en het laagst in 1921 (-13,42%).
Het prijspeil sinds 1918, met 1918 als 100. In 2025 was het 1.998,56: sinds 1918 is het prijspeil 20 keer zo hoog geworden.Toon als tabel
Prijspeil van 1918 tot en met 2025 (1918 = 100)
Jaar
Prijspeil (1918 = 100)
Verandering
1918
100,0
–
1919
108,8
8,83%
1920
120,2
10,42%
1921
104,0
-13,42%
1922
92,7
-10,90%
1923
88,7
-4,31%
1924
89,5
0,90%
1925
88,7
-0,89%
1926
85,5
-3,66%
1927
85,5
0,00%
1928
86,3
0,93%
1929
85,5
-0,93%
1930
82,2
-3,80%
1931
77,4
-5,83%
1932
71,7
-7,35%
1933
70,9
-1,11%
1934
70,9
0,00%
1935
68,5
-3,38%
1936
67,0
-2,33%
1937
68,5
2,38%
1938
70,1
2,33%
1939
70,9
1,14%
1940
81,4
14,70%
1941
93,2
14,58%
1942
100,2
7,42%
1943
103,7
3,51%
1944
106,4
2,67%
1945
122,5
15,05%
1946
133,6
9,08%
1947
138,4
3,63%
1948
143,3
3,54%
1949
152,4
6,31%
1950
166,3
9,12%
1951
182,3
9,64%
1952
182,3
0,00%
1953
182,3
0,00%
1954
189,6
4,00%
1955
193,2
1,91%
1956
196,9
1,90%
1957
209,6
6,49%
1958
213,3
1,73%
1959
215,1
0,85%
1960
220,5
2,55%
1961
224,2
1,67%
1962
228,5
1,92%
1963
237,3
3,82%
1964
250,3
5,50%
1965
263,4
5,23%
1966
278,6
5,78%
1967
287,3
3,13%
1968
297,9
3,69%
1969
320,1
7,45%
1970
334,3
4,42%
1971
359,5
7,55%
1972
387,6
7,82%
1973
418,6
7,99%
1974
458,9
9,64%
1975
505,7
10,19%
1976
550,2
8,81%
1977
587,1
6,69%
1978
610,9
4,05%
1979
636,7
4,23%
1980
678,3
6,53%
1981
723,9
6,72%
1982
767,0
5,96%
1983
788,7
2,83%
1984
814,5
3,27%
1985
832,8
2,25%
1986
834,2
0,17%
1987
830,1
-0,49%
1988
836,0
0,71%
1989
845,2
1,10%
1990
866,0
2,47%
1991
899,5
3,86%
1992
932,8
3,71%
1993
952,0
2,06%
1994
978,3
2,76%
1995
995,7
1,78%
1996
1.016,7
2,11%
1997
1.038,6
2,16%
1998
1.058,6
1,92%
1999
1.081,5
2,17%
2000
1.108,5
2,49%
2001
1.159,4
4,59%
2002
1.198,3
3,36%
2003
1.223,9
2,14%
2004
1.238,4
1,18%
2005
1.259,6
1,71%
2006
1.274,0
1,15%
2007
1.294,5
1,61%
2008
1.326,8
2,49%
2009
1.342,6
1,19%
2010
1.359,7
1,27%
2011
1.391,5
2,34%
2012
1.425,7
2,46%
2013
1.461,4
2,51%
2014
1.475,7
0,98%
2015
1.485,3
0,65%
2016
1.490,0
0,32%
2017
1.510,5
1,38%
2018
1.536,3
1,71%
2019
1.576,7
2,63%
2020
1.596,8
1,27%
2021
1.639,6
2,68%
2022
1.803,6
10,00%
2023
1.872,8
3,84%
2024
1.935,4
3,35%
2025
1.998,6
3,26%
Resultaat
ƒ 100,00 uit 1918 heeft in 2025 een koopkracht van
€ 906,91
Tussen 1918 en 2025stegen de prijzen met 1.898,56%, gemiddeld 2,84% per jaar.
Begin- en eindjaar zijn hetzelfde, dus er is geen verschil in koopkracht.
Bron: CBS, maandcijfers tot en met september 2026 en jaarcijfers tot en met 2025 (bijgewerkt op ).