ƒ 100,00 uit 1913 had in 2025 dezelfde koopkracht als
€ 1.460,22
Sinds 1913 is het prijspeil 32 keer zo hoog geworden: de prijzen stegen met 3.117,91%, gemiddeld 3,15% per jaar. Daarbij is omgerekend van gulden naar euro, tegen 2,20371 gulden per euro.
Berekend met de jaargemiddelden van de CBS-prijsindex; 2025 is het meest recente volledige jaar.
Andere bedragen uit 1913
Bedragen uit 1913 en hun koopkracht in 2025
In 1913
In 2025
ƒ 1,00
€ 14,60
ƒ 5,00
€ 73,01
ƒ 10,00
€ 146,02
ƒ 25,00
€ 365,06
ƒ 50,00
€ 730,11
ƒ 100,00
€ 1.460,22
ƒ 250,00
€ 3.650,56
ƒ 500,00
€ 7.301,11
ƒ 1.000,00
€ 14.602,23
ƒ 10.000,00
€ 146.022,28
Omgekeerd had € 100,00 in 2025 dezelfde koopkracht als ƒ 6,85 in 1913.
Inflatie in 1913
In 1913 stegen de prijzen met 1,30% ten opzichte van 1912. Dat is lager dan het gemiddelde van 2,94% per jaar sinds 1900.
Na 1913 was de inflatie het hoogst in 1918 (19,23%) en het laagst in 1921 (-13,42%).
Het prijspeil sinds 1913, met 1913 als 100. In 2025 was het 3.217,91: sinds 1913 is het prijspeil 32 keer zo hoog geworden.Toon als tabel
Prijspeil van 1913 tot en met 2025 (1913 = 100)
Jaar
Prijspeil (1913 = 100)
Verandering
1913
100,0
–
1914
100,0
0,00%
1915
114,2
14,22%
1916
127,2
11,40%
1917
135,0
6,13%
1918
161,0
19,23%
1919
175,2
8,83%
1920
193,5
10,42%
1921
167,5
-13,42%
1922
149,3
-10,90%
1923
142,8
-4,31%
1924
144,1
0,90%
1925
142,8
-0,89%
1926
137,6
-3,66%
1927
137,6
0,00%
1928
138,9
0,93%
1929
137,6
-0,93%
1930
132,4
-3,80%
1931
124,7
-5,83%
1932
115,5
-7,35%
1933
114,2
-1,11%
1934
114,2
0,00%
1935
110,4
-3,38%
1936
107,8
-2,33%
1937
110,4
2,38%
1938
112,9
2,33%
1939
114,2
1,14%
1940
131,0
14,70%
1941
150,1
14,58%
1942
161,3
7,42%
1943
166,9
3,51%
1944
171,4
2,67%
1945
197,2
15,05%
1946
215,1
9,08%
1947
222,9
3,63%
1948
230,8
3,54%
1949
245,3
6,31%
1950
267,7
9,12%
1951
293,5
9,64%
1952
293,5
0,00%
1953
293,5
0,00%
1954
305,2
4,00%
1955
311,1
1,91%
1956
317,0
1,90%
1957
337,5
6,49%
1958
343,4
1,73%
1959
346,3
0,85%
1960
355,1
2,55%
1961
361,0
1,67%
1962
368,0
1,92%
1963
382,0
3,82%
1964
403,0
5,50%
1965
424,1
5,23%
1966
448,6
5,78%
1967
462,6
3,13%
1968
479,7
3,69%
1969
515,4
7,45%
1970
538,2
4,42%
1971
578,8
7,55%
1972
624,1
7,82%
1973
674,0
7,99%
1974
738,9
9,64%
1975
814,2
10,19%
1976
885,9
8,81%
1977
945,2
6,69%
1978
983,5
4,05%
1979
1.025,2
4,23%
1980
1.092,1
6,53%
1981
1.165,6
6,72%
1982
1.235,0
5,96%
1983
1.269,9
2,83%
1984
1.311,5
3,27%
1985
1.341,0
2,25%
1986
1.343,2
0,17%
1987
1.336,6
-0,49%
1988
1.346,0
0,71%
1989
1.360,8
1,10%
1990
1.394,4
2,47%
1991
1.448,2
3,86%
1992
1.502,0
3,71%
1993
1.532,9
2,06%
1994
1.575,1
2,76%
1995
1.603,3
1,78%
1996
1.637,0
2,11%
1997
1.672,3
2,16%
1998
1.704,5
1,92%
1999
1.741,4
2,17%
2000
1.784,8
2,49%
2001
1.866,8
4,59%
2002
1.929,4
3,36%
2003
1.970,6
2,14%
2004
1.993,9
1,18%
2005
2.028,0
1,71%
2006
2.051,3
1,15%
2007
2.084,3
1,61%
2008
2.136,2
2,49%
2009
2.161,7
1,19%
2010
2.189,2
1,27%
2011
2.240,4
2,34%
2012
2.295,5
2,46%
2013
2.353,0
2,51%
2014
2.376,0
0,98%
2015
2.391,4
0,65%
2016
2.399,1
0,32%
2017
2.432,0
1,38%
2018
2.473,7
1,71%
2019
2.538,7
2,63%
2020
2.571,0
1,27%
2021
2.639,9
2,68%
2022
2.903,9
10,00%
2023
3.015,3
3,84%
2024
3.116,3
3,35%
2025
3.217,9
3,26%
Resultaat
ƒ 100,00 uit 1913 heeft in 2025 een koopkracht van
€ 1.460,22
Tussen 1913 en 2025stegen de prijzen met 3.117,91%, gemiddeld 3,15% per jaar.
Begin- en eindjaar zijn hetzelfde, dus er is geen verschil in koopkracht.
Bron: CBS, maandcijfers tot en met september 2026 en jaarcijfers tot en met 2025 (bijgewerkt op ).