ƒ 100,00 uit 1919 had in 2025 dezelfde koopkracht als
€ 833,29
Sinds 1919 is het prijspeil 18 keer zo hoog geworden: de prijzen stegen met 1.736,33%, gemiddeld 2,78% per jaar. Daarbij is omgerekend van gulden naar euro, tegen 2,20371 gulden per euro.
Berekend met de jaargemiddelden van de CBS-prijsindex; 2025 is het meest recente volledige jaar.
Andere bedragen uit 1919
Bedragen uit 1919 en hun koopkracht in 2025
In 1919
In 2025
ƒ 1,00
€ 8,33
ƒ 5,00
€ 41,66
ƒ 10,00
€ 83,33
ƒ 25,00
€ 208,32
ƒ 50,00
€ 416,65
ƒ 100,00
€ 833,29
ƒ 250,00
€ 2.083,23
ƒ 500,00
€ 4.166,45
ƒ 1.000,00
€ 8.332,91
ƒ 10.000,00
€ 83.329,10
Omgekeerd had € 100,00 in 2025 dezelfde koopkracht als ƒ 12,00 in 1919.
Inflatie in 1919
In 1919 stegen de prijzen met 8,83% ten opzichte van 1918. Dat is hoger dan het gemiddelde van 2,94% per jaar sinds 1900.
Na 1919 was de inflatie het hoogst in 1945 (15,05%) en het laagst in 1921 (-13,42%).
Het prijspeil sinds 1919, met 1919 als 100. In 2025 was het 1.836,33: sinds 1919 is het prijspeil 18 keer zo hoog geworden.Toon als tabel
Prijspeil van 1919 tot en met 2025 (1919 = 100)
Jaar
Prijspeil (1919 = 100)
Verandering
1919
100,0
–
1920
110,4
10,42%
1921
95,6
-13,42%
1922
85,2
-10,90%
1923
81,5
-4,31%
1924
82,2
0,90%
1925
81,5
-0,89%
1926
78,5
-3,66%
1927
78,5
0,00%
1928
79,3
0,93%
1929
78,5
-0,93%
1930
75,6
-3,80%
1931
71,1
-5,83%
1932
65,9
-7,35%
1933
65,2
-1,11%
1934
65,2
0,00%
1935
63,0
-3,38%
1936
61,5
-2,33%
1937
63,0
2,38%
1938
64,4
2,33%
1939
65,2
1,14%
1940
74,8
14,70%
1941
85,7
14,58%
1942
92,0
7,42%
1943
95,3
3,51%
1944
97,8
2,67%
1945
112,5
15,05%
1946
122,7
9,08%
1947
127,2
3,63%
1948
131,7
3,54%
1949
140,0
6,31%
1950
152,8
9,12%
1951
167,5
9,64%
1952
167,5
0,00%
1953
167,5
0,00%
1954
174,2
4,00%
1955
177,5
1,91%
1956
180,9
1,90%
1957
192,6
6,49%
1958
195,9
1,73%
1959
197,6
0,85%
1960
202,6
2,55%
1961
206,0
1,67%
1962
210,0
1,92%
1963
218,0
3,82%
1964
230,0
5,50%
1965
242,0
5,23%
1966
256,0
5,78%
1967
264,0
3,13%
1968
273,7
3,69%
1969
294,1
7,45%
1970
307,1
4,42%
1971
330,3
7,55%
1972
356,1
7,82%
1973
384,6
7,99%
1974
421,7
9,64%
1975
464,6
10,19%
1976
505,6
8,81%
1977
539,4
6,69%
1978
561,3
4,05%
1979
585,0
4,23%
1980
623,2
6,53%
1981
665,1
6,72%
1982
704,7
5,96%
1983
724,7
2,83%
1984
748,4
3,27%
1985
765,2
2,25%
1986
766,5
0,17%
1987
762,7
-0,49%
1988
768,1
0,71%
1989
776,6
1,10%
1990
795,7
2,47%
1991
826,5
3,86%
1992
857,1
3,71%
1993
874,8
2,06%
1994
898,9
2,76%
1995
914,9
1,78%
1996
934,2
2,11%
1997
954,3
2,16%
1998
972,7
1,92%
1999
993,7
2,17%
2000
1.018,5
2,49%
2001
1.065,3
4,59%
2002
1.101,0
3,36%
2003
1.124,5
2,14%
2004
1.137,8
1,18%
2005
1.157,3
1,71%
2006
1.170,6
1,15%
2007
1.189,4
1,61%
2008
1.219,1
2,49%
2009
1.233,6
1,19%
2010
1.249,3
1,27%
2011
1.278,5
2,34%
2012
1.309,9
2,46%
2013
1.342,8
2,51%
2014
1.355,9
0,98%
2015
1.364,7
0,65%
2016
1.369,0
0,32%
2017
1.387,9
1,38%
2018
1.411,6
1,71%
2019
1.448,8
2,63%
2020
1.467,2
1,27%
2021
1.506,5
2,68%
2022
1.657,2
10,00%
2023
1.720,7
3,84%
2024
1.778,3
3,35%
2025
1.836,3
3,26%
Resultaat
ƒ 100,00 uit 1919 heeft in 2025 een koopkracht van
€ 833,29
Tussen 1919 en 2025stegen de prijzen met 1.736,33%, gemiddeld 2,78% per jaar.
Begin- en eindjaar zijn hetzelfde, dus er is geen verschil in koopkracht.
Bron: CBS, maandcijfers tot en met september 2026 en jaarcijfers tot en met 2025 (bijgewerkt op ).