ƒ 100,00 uit 1920 had in 2025 dezelfde koopkracht als
€ 754,69
Sinds 1920 is het prijspeil 17 keer zo hoog geworden: de prijzen stegen met 1.563,11%, gemiddeld 2,71% per jaar. Daarbij is omgerekend van gulden naar euro, tegen 2,20371 gulden per euro.
Berekend met de jaargemiddelden van de CBS-prijsindex; 2025 is het meest recente volledige jaar.
Andere bedragen uit 1920
Bedragen uit 1920 en hun koopkracht in 2025
In 1920
In 2025
ƒ 1,00
€ 7,55
ƒ 5,00
€ 37,73
ƒ 10,00
€ 75,47
ƒ 25,00
€ 188,67
ƒ 50,00
€ 377,34
ƒ 100,00
€ 754,69
ƒ 250,00
€ 1.886,71
ƒ 500,00
€ 3.773,43
ƒ 1.000,00
€ 7.546,86
ƒ 10.000,00
€ 75.468,56
Omgekeerd had € 100,00 in 2025 dezelfde koopkracht als ƒ 13,25 in 1920.
Inflatie in 1920
In 1920 stegen de prijzen met 10,42% ten opzichte van 1919. Dat is hoger dan het gemiddelde van 2,94% per jaar sinds 1900.
Na 1920 was de inflatie het hoogst in 1945 (15,05%) en het laagst in 1921 (-13,42%).
Het prijspeil sinds 1920, met 1920 als 100. In 2025 was het 1.663,11: sinds 1920 is het prijspeil 17 keer zo hoog geworden.Toon als tabel
Prijspeil van 1920 tot en met 2025 (1920 = 100)
Jaar
Prijspeil (1920 = 100)
Verandering
1920
100,0
–
1921
86,6
-13,42%
1922
77,1
-10,90%
1923
73,8
-4,31%
1924
74,5
0,90%
1925
73,8
-0,89%
1926
71,1
-3,66%
1927
71,1
0,00%
1928
71,8
0,93%
1929
71,1
-0,93%
1930
68,4
-3,80%
1931
64,4
-5,83%
1932
59,7
-7,35%
1933
59,0
-1,11%
1934
59,0
0,00%
1935
57,0
-3,38%
1936
55,7
-2,33%
1937
57,0
2,38%
1938
58,4
2,33%
1939
59,0
1,14%
1940
67,7
14,70%
1941
77,6
14,58%
1942
83,3
7,42%
1943
86,3
3,51%
1944
88,6
2,67%
1945
101,9
15,05%
1946
111,2
9,08%
1947
115,2
3,63%
1948
119,3
3,54%
1949
126,8
6,31%
1950
138,4
9,12%
1951
151,7
9,64%
1952
151,7
0,00%
1953
151,7
0,00%
1954
157,8
4,00%
1955
160,8
1,91%
1956
163,8
1,90%
1957
174,4
6,49%
1958
177,5
1,73%
1959
179,0
0,85%
1960
183,5
2,55%
1961
186,6
1,67%
1962
190,2
1,92%
1963
197,4
3,82%
1964
208,3
5,50%
1965
219,2
5,23%
1966
231,8
5,78%
1967
239,1
3,13%
1968
247,9
3,69%
1969
266,4
7,45%
1970
278,2
4,42%
1971
299,2
7,55%
1972
322,5
7,82%
1973
348,3
7,99%
1974
381,9
9,64%
1975
420,8
10,19%
1976
457,9
8,81%
1977
488,5
6,69%
1978
508,3
4,05%
1979
529,8
4,23%
1980
564,4
6,53%
1981
602,4
6,72%
1982
638,3
5,96%
1983
656,3
2,83%
1984
677,8
3,27%
1985
693,0
2,25%
1986
694,2
0,17%
1987
690,8
-0,49%
1988
695,7
0,71%
1989
703,3
1,10%
1990
720,7
2,47%
1991
748,5
3,86%
1992
776,3
3,71%
1993
792,2
2,06%
1994
814,1
2,76%
1995
828,6
1,78%
1996
846,1
2,11%
1997
864,3
2,16%
1998
880,9
1,92%
1999
900,0
2,17%
2000
922,5
2,49%
2001
964,8
4,59%
2002
997,2
3,36%
2003
1.018,5
2,14%
2004
1.030,5
1,18%
2005
1.048,1
1,71%
2006
1.060,2
1,15%
2007
1.077,2
1,61%
2008
1.104,1
2,49%
2009
1.117,2
1,19%
2010
1.131,4
1,27%
2011
1.157,9
2,34%
2012
1.186,4
2,46%
2013
1.216,1
2,51%
2014
1.228,0
0,98%
2015
1.236,0
0,65%
2016
1.239,9
0,32%
2017
1.257,0
1,38%
2018
1.278,5
1,71%
2019
1.312,1
2,63%
2020
1.328,8
1,27%
2021
1.364,4
2,68%
2022
1.500,8
10,00%
2023
1.558,4
3,84%
2024
1.610,6
3,35%
2025
1.663,1
3,26%
Resultaat
ƒ 100,00 uit 1920 heeft in 2025 een koopkracht van
€ 754,69
Tussen 1920 en 2025stegen de prijzen met 1.563,11%, gemiddeld 2,71% per jaar.
Begin- en eindjaar zijn hetzelfde, dus er is geen verschil in koopkracht.
Bron: CBS, maandcijfers tot en met september 2026 en jaarcijfers tot en met 2025 (bijgewerkt op ).