ƒ 100,00 uit 1922 had in 2025 dezelfde koopkracht als
€ 978,23
Sinds 1922 is het prijspeil 22 keer zo hoog geworden: de prijzen stegen met 2.055,74%, gemiddeld 3,03% per jaar. Daarbij is omgerekend van gulden naar euro, tegen 2,20371 gulden per euro.
Berekend met de jaargemiddelden van de CBS-prijsindex; 2025 is het meest recente volledige jaar.
Andere bedragen uit 1922
Bedragen uit 1922 en hun koopkracht in 2025
In 1922
In 2025
ƒ 1,00
€ 9,78
ƒ 5,00
€ 48,91
ƒ 10,00
€ 97,82
ƒ 25,00
€ 244,56
ƒ 50,00
€ 489,12
ƒ 100,00
€ 978,23
ƒ 250,00
€ 2.445,58
ƒ 500,00
€ 4.891,16
ƒ 1.000,00
€ 9.782,32
ƒ 10.000,00
€ 97.823,19
Omgekeerd had € 100,00 in 2025 dezelfde koopkracht als ƒ 10,22 in 1922.
Inflatie in 1922
In 1922 daalden de prijzen met 10,90% ten opzichte van 1921. Dat is lager dan het gemiddelde van 2,94% per jaar sinds 1900.
Na 1922 was de inflatie het hoogst in 1945 (15,05%) en het laagst in 1932 (-7,35%).
Het prijspeil sinds 1922, met 1922 als 100. In 2025 was het 2.155,74: sinds 1922 is het prijspeil 22 keer zo hoog geworden.Toon als tabel
Prijspeil van 1922 tot en met 2025 (1922 = 100)
Jaar
Prijspeil (1922 = 100)
Verandering
1922
100,0
–
1923
95,7
-4,31%
1924
96,6
0,90%
1925
95,7
-0,89%
1926
92,2
-3,66%
1927
92,2
0,00%
1928
93,1
0,93%
1929
92,2
-0,93%
1930
88,7
-3,80%
1931
83,5
-5,83%
1932
77,4
-7,35%
1933
76,5
-1,11%
1934
76,5
0,00%
1935
73,9
-3,38%
1936
72,2
-2,33%
1937
73,9
2,38%
1938
75,7
2,33%
1939
76,5
1,14%
1940
87,8
14,70%
1941
100,6
14,58%
1942
108,0
7,42%
1943
111,8
3,51%
1944
114,8
2,67%
1945
132,1
15,05%
1946
144,1
9,08%
1947
149,3
3,63%
1948
154,6
3,54%
1949
164,4
6,31%
1950
179,3
9,12%
1951
196,6
9,64%
1952
196,6
0,00%
1953
196,6
0,00%
1954
204,5
4,00%
1955
208,4
1,91%
1956
212,3
1,90%
1957
226,1
6,49%
1958
230,0
1,73%
1959
232,0
0,85%
1960
237,9
2,55%
1961
241,8
1,67%
1962
246,5
1,92%
1963
255,9
3,82%
1964
270,0
5,50%
1965
284,1
5,23%
1966
300,5
5,78%
1967
309,9
3,13%
1968
321,4
3,69%
1969
345,3
7,45%
1970
360,6
4,42%
1971
387,8
7,55%
1972
418,1
7,82%
1973
451,5
7,99%
1974
495,0
9,64%
1975
545,5
10,19%
1976
593,5
8,81%
1977
633,2
6,69%
1978
658,9
4,05%
1979
686,8
4,23%
1980
731,6
6,53%
1981
780,8
6,72%
1982
827,3
5,96%
1983
850,7
2,83%
1984
878,6
3,27%
1985
898,3
2,25%
1986
899,8
0,17%
1987
895,4
-0,49%
1988
901,7
0,71%
1989
911,7
1,10%
1990
934,2
2,47%
1991
970,2
3,86%
1992
1.006,2
3,71%
1993
1.026,9
2,06%
1994
1.055,2
2,76%
1995
1.074,1
1,78%
1996
1.096,7
2,11%
1997
1.120,3
2,16%
1998
1.141,8
1,92%
1999
1.166,6
2,17%
2000
1.195,7
2,49%
2001
1.250,6
4,59%
2002
1.292,5
3,36%
2003
1.320,1
2,14%
2004
1.335,8
1,18%
2005
1.358,6
1,71%
2006
1.374,2
1,15%
2007
1.396,3
1,61%
2008
1.431,1
2,49%
2009
1.448,2
1,19%
2010
1.466,6
1,27%
2011
1.500,9
2,34%
2012
1.537,8
2,46%
2013
1.576,3
2,51%
2014
1.591,7
0,98%
2015
1.602,1
0,65%
2016
1.607,2
0,32%
2017
1.629,3
1,38%
2018
1.657,2
1,71%
2019
1.700,7
2,63%
2020
1.722,4
1,27%
2021
1.768,5
2,68%
2022
1.945,4
10,00%
2023
2.020,0
3,84%
2024
2.087,7
3,35%
2025
2.155,7
3,26%
Resultaat
ƒ 100,00 uit 1922 heeft in 2025 een koopkracht van
€ 978,23
Tussen 1922 en 2025stegen de prijzen met 2.055,74%, gemiddeld 3,03% per jaar.
Begin- en eindjaar zijn hetzelfde, dus er is geen verschil in koopkracht.
Bron: CBS, maandcijfers tot en met september 2026 en jaarcijfers tot en met 2025 (bijgewerkt op ).