ƒ 100,00 uit 1923 had in 2025 dezelfde koopkracht als
€ 1.022,24
Sinds 1923 is het prijspeil 23 keer zo hoog geworden: de prijzen stegen met 2.152,73%, gemiddeld 3,10% per jaar. Daarbij is omgerekend van gulden naar euro, tegen 2,20371 gulden per euro.
Berekend met de jaargemiddelden van de CBS-prijsindex; 2025 is het meest recente volledige jaar.
Andere bedragen uit 1923
Bedragen uit 1923 en hun koopkracht in 2025
In 1923
In 2025
ƒ 1,00
€ 10,22
ƒ 5,00
€ 51,11
ƒ 10,00
€ 102,22
ƒ 25,00
€ 255,56
ƒ 50,00
€ 511,12
ƒ 100,00
€ 1.022,24
ƒ 250,00
€ 2.555,61
ƒ 500,00
€ 5.111,22
ƒ 1.000,00
€ 10.222,44
ƒ 10.000,00
€ 102.224,36
Omgekeerd had € 100,00 in 2025 dezelfde koopkracht als ƒ 9,78 in 1923.
Inflatie in 1923
In 1923 daalden de prijzen met 4,31% ten opzichte van 1922. Dat is lager dan het gemiddelde van 2,94% per jaar sinds 1900.
Na 1923 was de inflatie het hoogst in 1945 (15,05%) en het laagst in 1932 (-7,35%).
Het prijspeil sinds 1923, met 1923 als 100. In 2025 was het 2.252,73: sinds 1923 is het prijspeil 23 keer zo hoog geworden.Toon als tabel
Prijspeil van 1923 tot en met 2025 (1923 = 100)
Jaar
Prijspeil (1923 = 100)
Verandering
1923
100,0
–
1924
100,9
0,90%
1925
100,0
-0,89%
1926
96,3
-3,66%
1927
96,3
0,00%
1928
97,2
0,93%
1929
96,3
-0,93%
1930
92,7
-3,80%
1931
87,3
-5,83%
1932
80,9
-7,35%
1933
80,0
-1,11%
1934
80,0
0,00%
1935
77,3
-3,38%
1936
75,5
-2,33%
1937
77,3
2,38%
1938
79,1
2,33%
1939
80,0
1,14%
1940
91,7
14,70%
1941
105,1
14,58%
1942
112,9
7,42%
1943
116,9
3,51%
1944
120,0
2,67%
1945
138,0
15,05%
1946
150,6
9,08%
1947
156,0
3,63%
1948
161,5
3,54%
1949
171,7
6,31%
1950
187,4
9,12%
1951
205,5
9,64%
1952
205,5
0,00%
1953
205,5
0,00%
1954
213,7
4,00%
1955
217,8
1,91%
1956
221,9
1,90%
1957
236,3
6,49%
1958
240,4
1,73%
1959
242,4
0,85%
1960
248,6
2,55%
1961
252,7
1,67%
1962
257,6
1,92%
1963
267,4
3,82%
1964
282,1
5,50%
1965
296,9
5,23%
1966
314,0
5,78%
1967
323,9
3,13%
1968
335,8
3,69%
1969
360,8
7,45%
1970
376,8
4,42%
1971
405,2
7,55%
1972
436,9
7,82%
1973
471,8
7,99%
1974
517,3
9,64%
1975
570,0
10,19%
1976
620,2
8,81%
1977
661,7
6,69%
1978
688,5
4,05%
1979
717,7
4,23%
1980
764,5
6,53%
1981
816,0
6,72%
1982
864,5
5,96%
1983
889,0
2,83%
1984
918,1
3,27%
1985
938,8
2,25%
1986
940,3
0,17%
1987
935,7
-0,49%
1988
942,3
0,71%
1989
952,7
1,10%
1990
976,2
2,47%
1991
1.013,9
3,86%
1992
1.051,5
3,71%
1993
1.073,1
2,06%
1994
1.102,7
2,76%
1995
1.122,4
1,78%
1996
1.146,0
2,11%
1997
1.170,7
2,16%
1998
1.193,2
1,92%
1999
1.219,1
2,17%
2000
1.249,5
2,49%
2001
1.306,8
4,59%
2002
1.350,7
3,36%
2003
1.379,5
2,14%
2004
1.395,9
1,18%
2005
1.419,7
1,71%
2006
1.436,1
1,15%
2007
1.459,1
1,61%
2008
1.495,5
2,49%
2009
1.513,3
1,19%
2010
1.532,6
1,27%
2011
1.568,4
2,34%
2012
1.607,0
2,46%
2013
1.647,3
2,51%
2014
1.663,3
0,98%
2015
1.674,1
0,65%
2016
1.679,5
0,32%
2017
1.702,6
1,38%
2018
1.731,7
1,71%
2019
1.777,3
2,63%
2020
1.799,9
1,27%
2021
1.848,1
2,68%
2022
2.032,9
10,00%
2023
2.110,9
3,84%
2024
2.181,6
3,35%
2025
2.252,7
3,26%
Resultaat
ƒ 100,00 uit 1923 heeft in 2025 een koopkracht van
€ 1.022,24
Tussen 1923 en 2025stegen de prijzen met 2.152,73%, gemiddeld 3,10% per jaar.
Begin- en eindjaar zijn hetzelfde, dus er is geen verschil in koopkracht.
Bron: CBS, maandcijfers tot en met september 2026 en jaarcijfers tot en met 2025 (bijgewerkt op ).