ƒ 100,00 uit 1928 had in 2025 dezelfde koopkracht als
€ 1.051,25
Sinds 1928 is het prijspeil 23 keer zo hoog geworden: de prijzen stegen met 2.216,66%, gemiddeld 3,29% per jaar. Daarbij is omgerekend van gulden naar euro, tegen 2,20371 gulden per euro.
Berekend met de jaargemiddelden van de CBS-prijsindex; 2025 is het meest recente volledige jaar.
Andere bedragen uit 1928
Bedragen uit 1928 en hun koopkracht in 2025
In 1928
In 2025
ƒ 1,00
€ 10,51
ƒ 5,00
€ 52,56
ƒ 10,00
€ 105,13
ƒ 25,00
€ 262,81
ƒ 50,00
€ 525,63
ƒ 100,00
€ 1.051,25
ƒ 250,00
€ 2.628,13
ƒ 500,00
€ 5.256,26
ƒ 1.000,00
€ 10.512,52
ƒ 10.000,00
€ 105.125,23
Omgekeerd had € 100,00 in 2025 dezelfde koopkracht als ƒ 9,51 in 1928.
Inflatie in 1928
In 1928 stegen de prijzen met 0,93% ten opzichte van 1927. Dat is lager dan het gemiddelde van 2,94% per jaar sinds 1900.
Na 1928 was de inflatie het hoogst in 1945 (15,05%) en het laagst in 1932 (-7,35%).
Het prijspeil sinds 1928, met 1928 als 100. In 2025 was het 2.316,66: sinds 1928 is het prijspeil 23 keer zo hoog geworden.Toon als tabel
Prijspeil van 1928 tot en met 2025 (1928 = 100)
Jaar
Prijspeil (1928 = 100)
Verandering
1928
100,0
–
1929
99,1
-0,93%
1930
95,3
-3,80%
1931
89,8
-5,83%
1932
83,2
-7,35%
1933
82,2
-1,11%
1934
82,2
0,00%
1935
79,5
-3,38%
1936
77,6
-2,33%
1937
79,5
2,38%
1938
81,3
2,33%
1939
82,2
1,14%
1940
94,3
14,70%
1941
108,1
14,58%
1942
116,1
7,42%
1943
120,2
3,51%
1944
123,4
2,67%
1945
141,9
15,05%
1946
154,8
9,08%
1947
160,5
3,63%
1948
166,1
3,54%
1949
176,6
6,31%
1950
192,7
9,12%
1951
211,3
9,64%
1952
211,3
0,00%
1953
211,3
0,00%
1954
219,7
4,00%
1955
223,9
1,91%
1956
228,2
1,90%
1957
243,0
6,49%
1958
247,2
1,73%
1959
249,3
0,85%
1960
255,6
2,55%
1961
259,9
1,67%
1962
264,9
1,92%
1963
275,0
3,82%
1964
290,1
5,50%
1965
305,3
5,23%
1966
322,9
5,78%
1967
333,1
3,13%
1968
345,3
3,69%
1969
371,1
7,45%
1970
387,5
4,42%
1971
416,7
7,55%
1972
449,3
7,82%
1973
485,2
7,99%
1974
532,0
9,64%
1975
586,2
10,19%
1976
637,8
8,81%
1977
680,5
6,69%
1978
708,1
4,05%
1979
738,1
4,23%
1980
786,2
6,53%
1981
839,1
6,72%
1982
889,1
5,96%
1983
914,3
2,83%
1984
944,2
3,27%
1985
965,4
2,25%
1986
967,0
0,17%
1987
962,2
-0,49%
1988
969,0
0,71%
1989
979,7
1,10%
1990
1.003,9
2,47%
1991
1.042,6
3,86%
1992
1.081,3
3,71%
1993
1.103,6
2,06%
1994
1.134,0
2,76%
1995
1.154,2
1,78%
1996
1.178,5
2,11%
1997
1.203,9
2,16%
1998
1.227,1
1,92%
1999
1.253,7
2,17%
2000
1.284,9
2,49%
2001
1.343,9
4,59%
2002
1.389,0
3,36%
2003
1.418,7
2,14%
2004
1.435,5
1,18%
2005
1.460,0
1,71%
2006
1.476,8
1,15%
2007
1.500,6
1,61%
2008
1.537,9
2,49%
2009
1.556,3
1,19%
2010
1.576,1
1,27%
2011
1.613,0
2,34%
2012
1.652,6
2,46%
2013
1.694,0
2,51%
2014
1.710,5
0,98%
2015
1.721,7
0,65%
2016
1.727,1
0,32%
2017
1.750,9
1,38%
2018
1.780,9
1,71%
2019
1.827,7
2,63%
2020
1.851,0
1,27%
2021
1.900,6
2,68%
2022
2.090,6
10,00%
2023
2.170,8
3,84%
2024
2.243,5
3,35%
2025
2.316,7
3,26%
Resultaat
ƒ 100,00 uit 1928 heeft in 2025 een koopkracht van
€ 1.051,25
Tussen 1928 en 2025stegen de prijzen met 2.216,66%, gemiddeld 3,29% per jaar.
Begin- en eindjaar zijn hetzelfde, dus er is geen verschil in koopkracht.
Bron: CBS, maandcijfers tot en met september 2026 en jaarcijfers tot en met 2025 (bijgewerkt op ).