ƒ 100,00 uit 1927 had in 2025 dezelfde koopkracht als
€ 1.061,07
Sinds 1927 is het prijspeil 23 keer zo hoog geworden: de prijzen stegen met 2.238,29%, gemiddeld 3,27% per jaar. Daarbij is omgerekend van gulden naar euro, tegen 2,20371 gulden per euro.
Berekend met de jaargemiddelden van de CBS-prijsindex; 2025 is het meest recente volledige jaar.
Andere bedragen uit 1927
Bedragen uit 1927 en hun koopkracht in 2025
In 1927
In 2025
ƒ 1,00
€ 10,61
ƒ 5,00
€ 53,05
ƒ 10,00
€ 106,11
ƒ 25,00
€ 265,27
ƒ 50,00
€ 530,54
ƒ 100,00
€ 1.061,07
ƒ 250,00
€ 2.652,68
ƒ 500,00
€ 5.305,35
ƒ 1.000,00
€ 10.610,71
ƒ 10.000,00
€ 106.107,10
Omgekeerd had € 100,00 in 2025 dezelfde koopkracht als ƒ 9,42 in 1927.
Inflatie in 1927
In 1927 stegen de prijzen met 0,00% ten opzichte van 1926. Dat is lager dan het gemiddelde van 2,94% per jaar sinds 1900.
Na 1927 was de inflatie het hoogst in 1945 (15,05%) en het laagst in 1932 (-7,35%).
Het prijspeil sinds 1927, met 1927 als 100. In 2025 was het 2.338,29: sinds 1927 is het prijspeil 23 keer zo hoog geworden.Toon als tabel
Prijspeil van 1927 tot en met 2025 (1927 = 100)
Jaar
Prijspeil (1927 = 100)
Verandering
1927
100,0
–
1928
100,9
0,93%
1929
100,0
-0,93%
1930
96,2
-3,80%
1931
90,6
-5,83%
1932
83,9
-7,35%
1933
83,0
-1,11%
1934
83,0
0,00%
1935
80,2
-3,38%
1936
78,3
-2,33%
1937
80,2
2,38%
1938
82,1
2,33%
1939
83,0
1,14%
1940
95,2
14,70%
1941
109,1
14,58%
1942
117,2
7,42%
1943
121,3
3,51%
1944
124,5
2,67%
1945
143,3
15,05%
1946
156,3
9,08%
1947
162,0
3,63%
1948
167,7
3,54%
1949
178,3
6,31%
1950
194,5
9,12%
1951
213,3
9,64%
1952
213,3
0,00%
1953
213,3
0,00%
1954
221,8
4,00%
1955
226,0
1,91%
1956
230,3
1,90%
1957
245,3
6,49%
1958
249,5
1,73%
1959
251,6
0,85%
1960
258,0
2,55%
1961
262,3
1,67%
1962
267,4
1,92%
1963
277,6
3,82%
1964
292,8
5,50%
1965
308,2
5,23%
1966
326,0
5,78%
1967
336,2
3,13%
1968
348,6
3,69%
1969
374,5
7,45%
1970
391,1
4,42%
1971
420,6
7,55%
1972
453,5
7,82%
1973
489,7
7,99%
1974
536,9
9,64%
1975
591,7
10,19%
1976
643,8
8,81%
1977
686,9
6,69%
1978
714,7
4,05%
1979
745,0
4,23%
1980
793,6
6,53%
1981
846,9
6,72%
1982
897,4
5,96%
1983
922,8
2,83%
1984
953,0
3,27%
1985
974,4
2,25%
1986
976,0
0,17%
1987
971,2
-0,49%
1988
978,1
0,71%
1989
988,9
1,10%
1990
1.013,3
2,47%
1991
1.052,4
3,86%
1992
1.091,4
3,71%
1993
1.113,9
2,06%
1994
1.144,6
2,76%
1995
1.165,0
1,78%
1996
1.189,5
2,11%
1997
1.215,2
2,16%
1998
1.238,5
1,92%
1999
1.265,4
2,17%
2000
1.296,9
2,49%
2001
1.356,5
4,59%
2002
1.402,0
3,36%
2003
1.431,9
2,14%
2004
1.448,9
1,18%
2005
1.473,7
1,71%
2006
1.490,6
1,15%
2007
1.514,6
1,61%
2008
1.552,3
2,49%
2009
1.570,8
1,19%
2010
1.590,8
1,27%
2011
1.628,0
2,34%
2012
1.668,0
2,46%
2013
1.709,8
2,51%
2014
1.726,5
0,98%
2015
1.737,7
0,65%
2016
1.743,3
0,32%
2017
1.767,2
1,38%
2018
1.797,5
1,71%
2019
1.844,8
2,63%
2020
1.868,2
1,27%
2021
1.918,3
2,68%
2022
2.110,1
10,00%
2023
2.191,1
3,84%
2024
2.264,4
3,35%
2025
2.338,3
3,26%
Resultaat
ƒ 100,00 uit 1927 heeft in 2025 een koopkracht van
€ 1.061,07
Tussen 1927 en 2025stegen de prijzen met 2.238,29%, gemiddeld 3,27% per jaar.
Begin- en eindjaar zijn hetzelfde, dus er is geen verschil in koopkracht.
Bron: CBS, maandcijfers tot en met september 2026 en jaarcijfers tot en met 2025 (bijgewerkt op ).