ƒ 100,00 uit 1924 had in 2025 dezelfde koopkracht als
€ 1.013,13
Sinds 1924 is het prijspeil 22 keer zo hoog geworden: de prijzen stegen met 2.132,64%, gemiddeld 3,12% per jaar. Daarbij is omgerekend van gulden naar euro, tegen 2,20371 gulden per euro.
Berekend met de jaargemiddelden van de CBS-prijsindex; 2025 is het meest recente volledige jaar.
Andere bedragen uit 1924
Bedragen uit 1924 en hun koopkracht in 2025
In 1924
In 2025
ƒ 1,00
€ 10,13
ƒ 5,00
€ 50,66
ƒ 10,00
€ 101,31
ƒ 25,00
€ 253,28
ƒ 50,00
€ 506,56
ƒ 100,00
€ 1.013,13
ƒ 250,00
€ 2.532,82
ƒ 500,00
€ 5.065,64
ƒ 1.000,00
€ 10.131,27
ƒ 10.000,00
€ 101.312,73
Omgekeerd had € 100,00 in 2025 dezelfde koopkracht als ƒ 9,87 in 1924.
Inflatie in 1924
In 1924 stegen de prijzen met 0,90% ten opzichte van 1923. Dat is lager dan het gemiddelde van 2,94% per jaar sinds 1900.
Na 1924 was de inflatie het hoogst in 1945 (15,05%) en het laagst in 1932 (-7,35%).
Het prijspeil sinds 1924, met 1924 als 100. In 2025 was het 2.232,64: sinds 1924 is het prijspeil 22 keer zo hoog geworden.Toon als tabel
Prijspeil van 1924 tot en met 2025 (1924 = 100)
Jaar
Prijspeil (1924 = 100)
Verandering
1924
100,0
–
1925
99,1
-0,89%
1926
95,5
-3,66%
1927
95,5
0,00%
1928
96,4
0,93%
1929
95,5
-0,93%
1930
91,9
-3,80%
1931
86,5
-5,83%
1932
80,1
-7,35%
1933
79,3
-1,11%
1934
79,3
0,00%
1935
76,6
-3,38%
1936
74,8
-2,33%
1937
76,6
2,38%
1938
78,4
2,33%
1939
79,3
1,14%
1940
90,9
14,70%
1941
104,2
14,58%
1942
111,9
7,42%
1943
115,8
3,51%
1944
118,9
2,67%
1945
136,8
15,05%
1946
149,2
9,08%
1947
154,6
3,63%
1948
160,1
3,54%
1949
170,2
6,31%
1950
185,7
9,12%
1951
203,6
9,64%
1952
203,6
0,00%
1953
203,6
0,00%
1954
211,8
4,00%
1955
215,8
1,91%
1956
219,9
1,90%
1957
234,2
6,49%
1958
238,2
1,73%
1959
240,2
0,85%
1960
246,4
2,55%
1961
250,5
1,67%
1962
255,3
1,92%
1963
265,0
3,82%
1964
279,6
5,50%
1965
294,2
5,23%
1966
311,2
5,78%
1967
321,0
3,13%
1968
332,8
3,69%
1969
357,6
7,45%
1970
373,4
4,42%
1971
401,6
7,55%
1972
433,0
7,82%
1973
467,6
7,99%
1974
512,7
9,64%
1975
564,9
10,19%
1976
614,7
8,81%
1977
655,8
6,69%
1978
682,4
4,05%
1979
711,3
4,23%
1980
757,7
6,53%
1981
808,7
6,72%
1982
856,8
5,96%
1983
881,1
2,83%
1984
909,9
3,27%
1985
930,4
2,25%
1986
931,9
0,17%
1987
927,3
-0,49%
1988
933,9
0,71%
1989
944,2
1,10%
1990
967,5
2,47%
1991
1.004,8
3,86%
1992
1.042,1
3,71%
1993
1.063,6
2,06%
1994
1.092,9
2,76%
1995
1.112,4
1,78%
1996
1.135,8
2,11%
1997
1.160,3
2,16%
1998
1.182,6
1,92%
1999
1.208,2
2,17%
2000
1.238,3
2,49%
2001
1.295,2
4,59%
2002
1.338,6
3,36%
2003
1.367,2
2,14%
2004
1.383,4
1,18%
2005
1.407,1
1,71%
2006
1.423,2
1,15%
2007
1.446,1
1,61%
2008
1.482,2
2,49%
2009
1.499,8
1,19%
2010
1.518,9
1,27%
2011
1.554,5
2,34%
2012
1.592,6
2,46%
2013
1.632,6
2,51%
2014
1.648,5
0,98%
2015
1.659,2
0,65%
2016
1.664,5
0,32%
2017
1.687,4
1,38%
2018
1.716,3
1,71%
2019
1.761,4
2,63%
2020
1.783,8
1,27%
2021
1.831,6
2,68%
2022
2.014,8
10,00%
2023
2.092,1
3,84%
2024
2.162,1
3,35%
2025
2.232,6
3,26%
Resultaat
ƒ 100,00 uit 1924 heeft in 2025 een koopkracht van
€ 1.013,13
Tussen 1924 en 2025stegen de prijzen met 2.132,64%, gemiddeld 3,12% per jaar.
Begin- en eindjaar zijn hetzelfde, dus er is geen verschil in koopkracht.
Bron: CBS, maandcijfers tot en met september 2026 en jaarcijfers tot en met 2025 (bijgewerkt op ).