ƒ 100,00 uit 1921 had in 2025 dezelfde koopkracht als
€ 871,65
Sinds 1921 is het prijspeil 19 keer zo hoog geworden: de prijzen stegen met 1.820,87%, gemiddeld 2,88% per jaar. Daarbij is omgerekend van gulden naar euro, tegen 2,20371 gulden per euro.
Berekend met de jaargemiddelden van de CBS-prijsindex; 2025 is het meest recente volledige jaar.
Andere bedragen uit 1921
Bedragen uit 1921 en hun koopkracht in 2025
In 1921
In 2025
ƒ 1,00
€ 8,72
ƒ 5,00
€ 43,58
ƒ 10,00
€ 87,17
ƒ 25,00
€ 217,91
ƒ 50,00
€ 435,83
ƒ 100,00
€ 871,65
ƒ 250,00
€ 2.179,13
ƒ 500,00
€ 4.358,26
ƒ 1.000,00
€ 8.716,52
ƒ 10.000,00
€ 87.165,22
Omgekeerd had € 100,00 in 2025 dezelfde koopkracht als ƒ 11,47 in 1921.
Inflatie in 1921
In 1921 daalden de prijzen met 13,42% ten opzichte van 1920. Dat is lager dan het gemiddelde van 2,94% per jaar sinds 1900.
Na 1921 was de inflatie het hoogst in 1945 (15,05%) en het laagst in 1922 (-10,90%).
Het prijspeil sinds 1921, met 1921 als 100. In 2025 was het 1.920,87: sinds 1921 is het prijspeil 19 keer zo hoog geworden.Toon als tabel
Prijspeil van 1921 tot en met 2025 (1921 = 100)
Jaar
Prijspeil (1921 = 100)
Verandering
1921
100,0
–
1922
89,1
-10,90%
1923
85,3
-4,31%
1924
86,0
0,90%
1925
85,3
-0,89%
1926
82,1
-3,66%
1927
82,1
0,00%
1928
82,9
0,93%
1929
82,1
-0,93%
1930
79,0
-3,80%
1931
74,4
-5,83%
1932
69,0
-7,35%
1933
68,2
-1,11%
1934
68,2
0,00%
1935
65,9
-3,38%
1936
64,3
-2,33%
1937
65,9
2,38%
1938
67,4
2,33%
1939
68,2
1,14%
1940
78,2
14,70%
1941
89,6
14,58%
1942
96,3
7,42%
1943
99,6
3,51%
1944
102,3
2,67%
1945
117,7
15,05%
1946
128,4
9,08%
1947
133,0
3,63%
1948
137,7
3,54%
1949
146,4
6,31%
1950
159,8
9,12%
1951
175,2
9,64%
1952
175,2
0,00%
1953
175,2
0,00%
1954
182,2
4,00%
1955
185,7
1,91%
1956
189,2
1,90%
1957
201,5
6,49%
1958
205,0
1,73%
1959
206,7
0,85%
1960
212,0
2,55%
1961
215,5
1,67%
1962
219,6
1,92%
1963
228,0
3,82%
1964
240,6
5,50%
1965
253,1
5,23%
1966
267,8
5,78%
1967
276,2
3,13%
1968
286,3
3,69%
1969
307,7
7,45%
1970
321,3
4,42%
1971
345,5
7,55%
1972
372,5
7,82%
1973
402,3
7,99%
1974
441,1
9,64%
1975
486,0
10,19%
1976
528,8
8,81%
1977
564,2
6,69%
1978
587,1
4,05%
1979
612,0
4,23%
1980
651,9
6,53%
1981
695,8
6,72%
1982
737,2
5,96%
1983
758,1
2,83%
1984
782,9
3,27%
1985
800,5
2,25%
1986
801,8
0,17%
1987
797,9
-0,49%
1988
803,5
0,71%
1989
812,3
1,10%
1990
832,4
2,47%
1991
864,5
3,86%
1992
896,6
3,71%
1993
915,0
2,06%
1994
940,3
2,76%
1995
957,0
1,78%
1996
977,2
2,11%
1997
998,3
2,16%
1998
1.017,4
1,92%
1999
1.039,5
2,17%
2000
1.065,4
2,49%
2001
1.114,3
4,59%
2002
1.151,7
3,36%
2003
1.176,3
2,14%
2004
1.190,2
1,18%
2005
1.210,6
1,71%
2006
1.224,5
1,15%
2007
1.244,2
1,61%
2008
1.275,2
2,49%
2009
1.290,4
1,19%
2010
1.306,8
1,27%
2011
1.337,4
2,34%
2012
1.370,2
2,46%
2013
1.404,6
2,51%
2014
1.418,3
0,98%
2015
1.427,5
0,65%
2016
1.432,1
0,32%
2017
1.451,8
1,38%
2018
1.476,6
1,71%
2019
1.515,4
2,63%
2020
1.534,7
1,27%
2021
1.575,9
2,68%
2022
1.733,5
10,00%
2023
1.799,9
3,84%
2024
1.860,2
3,35%
2025
1.920,9
3,26%
Resultaat
ƒ 100,00 uit 1921 heeft in 2025 een koopkracht van
€ 871,65
Tussen 1921 en 2025stegen de prijzen met 1.820,87%, gemiddeld 2,88% per jaar.
Begin- en eindjaar zijn hetzelfde, dus er is geen verschil in koopkracht.
Bron: CBS, maandcijfers tot en met september 2026 en jaarcijfers tot en met 2025 (bijgewerkt op ).