ƒ 100,00 uit 1930 had in 2025 dezelfde koopkracht als
€ 1.102,96
Sinds 1930 is het prijspeil 24 keer zo hoog geworden: de prijzen stegen met 2.330,61%, gemiddeld 3,42% per jaar. Daarbij is omgerekend van gulden naar euro, tegen 2,20371 gulden per euro.
Berekend met de jaargemiddelden van de CBS-prijsindex; 2025 is het meest recente volledige jaar.
Andere bedragen uit 1930
Bedragen uit 1930 en hun koopkracht in 2025
In 1930
In 2025
ƒ 1,00
€ 11,03
ƒ 5,00
€ 55,15
ƒ 10,00
€ 110,30
ƒ 25,00
€ 275,74
ƒ 50,00
€ 551,48
ƒ 100,00
€ 1.102,96
ƒ 250,00
€ 2.757,41
ƒ 500,00
€ 5.514,82
ƒ 1.000,00
€ 11.029,64
ƒ 10.000,00
€ 110.296,44
Omgekeerd had € 100,00 in 2025 dezelfde koopkracht als ƒ 9,07 in 1930.
Inflatie in 1930
In 1930 daalden de prijzen met 3,80% ten opzichte van 1929. Dat is lager dan het gemiddelde van 2,94% per jaar sinds 1900.
Na 1930 was de inflatie het hoogst in 1945 (15,05%) en het laagst in 1932 (-7,35%).
Het prijspeil sinds 1930, met 1930 als 100. In 2025 was het 2.430,61: sinds 1930 is het prijspeil 24 keer zo hoog geworden.Toon als tabel
Prijspeil van 1930 tot en met 2025 (1930 = 100)
Jaar
Prijspeil (1930 = 100)
Verandering
1930
100,0
–
1931
94,2
-5,83%
1932
87,2
-7,35%
1933
86,3
-1,11%
1934
86,3
0,00%
1935
83,4
-3,38%
1936
81,4
-2,33%
1937
83,4
2,38%
1938
85,3
2,33%
1939
86,3
1,14%
1940
99,0
14,70%
1941
113,4
14,58%
1942
121,8
7,42%
1943
126,1
3,51%
1944
129,4
2,67%
1945
148,9
15,05%
1946
162,5
9,08%
1947
168,3
3,63%
1948
174,3
3,54%
1949
185,3
6,31%
1950
202,2
9,12%
1951
221,7
9,64%
1952
221,7
0,00%
1953
221,7
0,00%
1954
230,6
4,00%
1955
235,0
1,91%
1956
239,4
1,90%
1957
255,0
6,49%
1958
259,4
1,73%
1959
261,6
0,85%
1960
268,2
2,55%
1961
272,7
1,67%
1962
277,9
1,92%
1963
288,5
3,82%
1964
304,4
5,50%
1965
320,3
5,23%
1966
338,8
5,78%
1967
349,4
3,13%
1968
362,3
3,69%
1969
389,3
7,45%
1970
406,5
4,42%
1971
437,2
7,55%
1972
471,4
7,82%
1973
509,1
7,99%
1974
558,1
9,64%
1975
615,0
10,19%
1976
669,2
8,81%
1977
714,0
6,69%
1978
742,9
4,05%
1979
774,4
4,23%
1980
824,9
6,53%
1981
880,4
6,72%
1982
932,8
5,96%
1983
959,2
2,83%
1984
990,6
3,27%
1985
1.012,9
2,25%
1986
1.014,6
0,17%
1987
1.009,6
-0,49%
1988
1.016,7
0,71%
1989
1.027,9
1,10%
1990
1.053,3
2,47%
1991
1.093,9
3,86%
1992
1.134,5
3,71%
1993
1.157,9
2,06%
1994
1.189,8
2,76%
1995
1.211,0
1,78%
1996
1.236,5
2,11%
1997
1.263,2
2,16%
1998
1.287,4
1,92%
1999
1.315,3
2,17%
2000
1.348,2
2,49%
2001
1.410,0
4,59%
2002
1.457,3
3,36%
2003
1.488,5
2,14%
2004
1.506,1
1,18%
2005
1.531,8
1,71%
2006
1.549,4
1,15%
2007
1.574,4
1,61%
2008
1.613,6
2,49%
2009
1.632,8
1,19%
2010
1.653,6
1,27%
2011
1.692,3
2,34%
2012
1.733,9
2,46%
2013
1.777,3
2,51%
2014
1.794,7
0,98%
2015
1.806,3
0,65%
2016
1.812,1
0,32%
2017
1.837,0
1,38%
2018
1.868,5
1,71%
2019
1.917,6
2,63%
2020
1.942,0
1,27%
2021
1.994,0
2,68%
2022
2.193,5
10,00%
2023
2.277,6
3,84%
2024
2.353,9
3,35%
2025
2.430,6
3,26%
Resultaat
ƒ 100,00 uit 1930 heeft in 2025 een koopkracht van
€ 1.102,96
Tussen 1930 en 2025stegen de prijzen met 2.330,61%, gemiddeld 3,42% per jaar.
Begin- en eindjaar zijn hetzelfde, dus er is geen verschil in koopkracht.
Bron: CBS, maandcijfers tot en met september 2026 en jaarcijfers tot en met 2025 (bijgewerkt op ).