ƒ 100,00 uit 1931 had in 2025 dezelfde koopkracht als
€ 1.171,19
Sinds 1931 is het prijspeil 26 keer zo hoog geworden: de prijzen stegen met 2.480,96%, gemiddeld 3,52% per jaar. Daarbij is omgerekend van gulden naar euro, tegen 2,20371 gulden per euro.
Berekend met de jaargemiddelden van de CBS-prijsindex; 2025 is het meest recente volledige jaar.
Andere bedragen uit 1931
Bedragen uit 1931 en hun koopkracht in 2025
In 1931
In 2025
ƒ 1,00
€ 11,71
ƒ 5,00
€ 58,56
ƒ 10,00
€ 117,12
ƒ 25,00
€ 292,80
ƒ 50,00
€ 585,59
ƒ 100,00
€ 1.171,19
ƒ 250,00
€ 2.927,97
ƒ 500,00
€ 5.855,95
ƒ 1.000,00
€ 11.711,89
ƒ 10.000,00
€ 117.118,90
Omgekeerd had € 100,00 in 2025 dezelfde koopkracht als ƒ 8,54 in 1931.
Inflatie in 1931
In 1931 daalden de prijzen met 5,83% ten opzichte van 1930. Dat is lager dan het gemiddelde van 2,94% per jaar sinds 1900.
Na 1931 was de inflatie het hoogst in 1945 (15,05%) en het laagst in 1932 (-7,35%).
Het prijspeil sinds 1931, met 1931 als 100. In 2025 was het 2.580,96: sinds 1931 is het prijspeil 26 keer zo hoog geworden.Toon als tabel
Prijspeil van 1931 tot en met 2025 (1931 = 100)
Jaar
Prijspeil (1931 = 100)
Verandering
1931
100,0
–
1932
92,6
-7,35%
1933
91,6
-1,11%
1934
91,6
0,00%
1935
88,5
-3,38%
1936
86,5
-2,33%
1937
88,5
2,38%
1938
90,6
2,33%
1939
91,6
1,14%
1940
105,1
14,70%
1941
120,4
14,58%
1942
129,3
7,42%
1943
133,9
3,51%
1944
137,5
2,67%
1945
158,1
15,05%
1946
172,5
9,08%
1947
178,8
3,63%
1948
185,1
3,54%
1949
196,8
6,31%
1950
214,7
9,12%
1951
235,4
9,64%
1952
235,4
0,00%
1953
235,4
0,00%
1954
244,8
4,00%
1955
249,5
1,91%
1956
254,2
1,90%
1957
270,7
6,49%
1958
275,4
1,73%
1959
277,7
0,85%
1960
284,8
2,55%
1961
289,6
1,67%
1962
295,1
1,92%
1963
306,4
3,82%
1964
323,2
5,50%
1965
340,1
5,23%
1966
359,8
5,78%
1967
371,1
3,13%
1968
384,7
3,69%
1969
413,4
7,45%
1970
431,7
4,42%
1971
464,3
7,55%
1972
500,5
7,82%
1973
540,5
7,99%
1974
592,6
9,64%
1975
653,1
10,19%
1976
710,6
8,81%
1977
758,1
6,69%
1978
788,9
4,05%
1979
822,3
4,23%
1980
875,9
6,53%
1981
934,8
6,72%
1982
990,5
5,96%
1983
1.018,6
2,83%
1984
1.051,9
3,27%
1985
1.075,5
2,25%
1986
1.077,3
0,17%
1987
1.072,0
-0,49%
1988
1.079,6
0,71%
1989
1.091,5
1,10%
1990
1.118,4
2,47%
1991
1.161,6
3,86%
1992
1.204,7
3,71%
1993
1.229,5
2,06%
1994
1.263,4
2,76%
1995
1.285,9
1,78%
1996
1.313,0
2,11%
1997
1.341,3
2,16%
1998
1.367,1
1,92%
1999
1.396,7
2,17%
2000
1.431,5
2,49%
2001
1.497,3
4,59%
2002
1.547,5
3,36%
2003
1.580,5
2,14%
2004
1.599,2
1,18%
2005
1.626,6
1,71%
2006
1.645,3
1,15%
2007
1.671,8
1,61%
2008
1.713,4
2,49%
2009
1.733,8
1,19%
2010
1.755,9
1,27%
2011
1.797,0
2,34%
2012
1.841,1
2,46%
2013
1.887,3
2,51%
2014
1.905,7
0,98%
2015
1.918,1
0,65%
2016
1.924,2
0,32%
2017
1.950,7
1,38%
2018
1.984,1
1,71%
2019
2.036,2
2,63%
2020
2.062,1
1,27%
2021
2.117,4
2,68%
2022
2.329,1
10,00%
2023
2.418,5
3,84%
2024
2.499,5
3,35%
2025
2.581,0
3,26%
Resultaat
ƒ 100,00 uit 1931 heeft in 2025 een koopkracht van
€ 1.171,19
Tussen 1931 en 2025stegen de prijzen met 2.480,96%, gemiddeld 3,52% per jaar.
Begin- en eindjaar zijn hetzelfde, dus er is geen verschil in koopkracht.
Bron: CBS, maandcijfers tot en met september 2026 en jaarcijfers tot en met 2025 (bijgewerkt op ).