ƒ 100,00 uit 1936 had in 2025 dezelfde koopkracht als
€ 1.354,59
Sinds 1936 is het prijspeil 30 keer zo hoog geworden: de prijzen stegen met 2.885,14%, gemiddeld 3,89% per jaar. Daarbij is omgerekend van gulden naar euro, tegen 2,20371 gulden per euro.
Berekend met de jaargemiddelden van de CBS-prijsindex; 2025 is het meest recente volledige jaar.
Andere bedragen uit 1936
Bedragen uit 1936 en hun koopkracht in 2025
In 1936
In 2025
ƒ 1,00
€ 13,55
ƒ 5,00
€ 67,73
ƒ 10,00
€ 135,46
ƒ 25,00
€ 338,65
ƒ 50,00
€ 677,30
ƒ 100,00
€ 1.354,59
ƒ 250,00
€ 3.386,49
ƒ 500,00
€ 6.772,97
ƒ 1.000,00
€ 13.545,95
ƒ 10.000,00
€ 135.459,46
Omgekeerd had € 100,00 in 2025 dezelfde koopkracht als ƒ 7,38 in 1936.
Inflatie in 1936
In 1936 daalden de prijzen met 2,33% ten opzichte van 1935. Dat is lager dan het gemiddelde van 2,94% per jaar sinds 1900.
Na 1936 was de inflatie het hoogst in 1945 (15,05%) en het laagst in 1987 (-0,49%).
Het prijspeil sinds 1936, met 1936 als 100. In 2025 was het 2.985,14: sinds 1936 is het prijspeil 30 keer zo hoog geworden.Toon als tabel
Prijspeil van 1936 tot en met 2025 (1936 = 100)
Jaar
Prijspeil (1936 = 100)
Verandering
1936
100,0
–
1937
102,4
2,38%
1938
104,8
2,33%
1939
106,0
1,14%
1940
121,5
14,70%
1941
139,3
14,58%
1942
149,6
7,42%
1943
154,8
3,51%
1944
159,0
2,67%
1945
182,9
15,05%
1946
199,5
9,08%
1947
206,8
3,63%
1948
214,1
3,54%
1949
227,6
6,31%
1950
248,3
9,12%
1951
272,3
9,64%
1952
272,3
0,00%
1953
272,3
0,00%
1954
283,1
4,00%
1955
288,6
1,91%
1956
294,0
1,90%
1957
313,1
6,49%
1958
318,5
1,73%
1959
321,2
0,85%
1960
329,4
2,55%
1961
334,9
1,67%
1962
341,3
1,92%
1963
354,4
3,82%
1964
373,8
5,50%
1965
393,4
5,23%
1966
416,1
5,78%
1967
429,2
3,13%
1968
445,0
3,69%
1969
478,1
7,45%
1970
499,3
4,42%
1971
537,0
7,55%
1972
578,9
7,82%
1973
625,2
7,99%
1974
685,5
9,64%
1975
755,3
10,19%
1976
821,9
8,81%
1977
876,9
6,69%
1978
912,4
4,05%
1979
951,0
4,23%
1980
1.013,1
6,53%
1981
1.081,2
6,72%
1982
1.145,6
5,96%
1983
1.178,1
2,83%
1984
1.216,6
3,27%
1985
1.244,0
2,25%
1986
1.246,0
0,17%
1987
1.239,9
-0,49%
1988
1.248,6
0,71%
1989
1.262,4
1,10%
1990
1.293,6
2,47%
1991
1.343,5
3,86%
1992
1.393,3
3,71%
1993
1.422,0
2,06%
1994
1.461,2
2,76%
1995
1.487,3
1,78%
1996
1.518,6
2,11%
1997
1.551,4
2,16%
1998
1.581,2
1,92%
1999
1.615,4
2,17%
2000
1.655,7
2,49%
2001
1.731,7
4,59%
2002
1.789,8
3,36%
2003
1.828,1
2,14%
2004
1.849,7
1,18%
2005
1.881,3
1,71%
2006
1.902,9
1,15%
2007
1.933,5
1,61%
2008
1.981,7
2,49%
2009
2.005,3
1,19%
2010
2.030,8
1,27%
2011
2.078,4
2,34%
2012
2.129,4
2,46%
2013
2.182,8
2,51%
2014
2.204,1
0,98%
2015
2.218,4
0,65%
2016
2.225,5
0,32%
2017
2.256,1
1,38%
2018
2.294,8
1,71%
2019
2.355,1
2,63%
2020
2.385,1
1,27%
2021
2.449,0
2,68%
2022
2.693,9
10,00%
2023
2.797,2
3,84%
2024
2.890,9
3,35%
2025
2.985,1
3,26%
Resultaat
ƒ 100,00 uit 1936 heeft in 2025 een koopkracht van
€ 1.354,59
Tussen 1936 en 2025stegen de prijzen met 2.885,14%, gemiddeld 3,89% per jaar.
Begin- en eindjaar zijn hetzelfde, dus er is geen verschil in koopkracht.
Bron: CBS, maandcijfers tot en met september 2026 en jaarcijfers tot en met 2025 (bijgewerkt op ).