ƒ 100,00 uit 1939 had in 2025 dezelfde koopkracht als
€ 1.278,38
Sinds 1939 is het prijspeil 28 keer zo hoog geworden: de prijzen stegen met 2.717,18%, gemiddeld 3,96% per jaar. Daarbij is omgerekend van gulden naar euro, tegen 2,20371 gulden per euro.
Berekend met de jaargemiddelden van de CBS-prijsindex; 2025 is het meest recente volledige jaar.
Andere bedragen uit 1939
Bedragen uit 1939 en hun koopkracht in 2025
In 1939
In 2025
ƒ 1,00
€ 12,78
ƒ 5,00
€ 63,92
ƒ 10,00
€ 127,84
ƒ 25,00
€ 319,59
ƒ 50,00
€ 639,19
ƒ 100,00
€ 1.278,38
ƒ 250,00
€ 3.195,95
ƒ 500,00
€ 6.391,90
ƒ 1.000,00
€ 12.783,80
ƒ 10.000,00
€ 127.837,96
Omgekeerd had € 100,00 in 2025 dezelfde koopkracht als ƒ 7,82 in 1939.
Inflatie in 1939
In 1939 stegen de prijzen met 1,14% ten opzichte van 1938. Dat is lager dan het gemiddelde van 2,94% per jaar sinds 1900.
Na 1939 was de inflatie het hoogst in 1945 (15,05%) en het laagst in 1987 (-0,49%).
Het prijspeil sinds 1939, met 1939 als 100. In 2025 was het 2.817,18: sinds 1939 is het prijspeil 28 keer zo hoog geworden.Toon als tabel
Prijspeil van 1939 tot en met 2025 (1939 = 100)
Jaar
Prijspeil (1939 = 100)
Verandering
1939
100,0
–
1940
114,7
14,70%
1941
131,4
14,58%
1942
141,2
7,42%
1943
146,1
3,51%
1944
150,0
2,67%
1945
172,6
15,05%
1946
188,3
9,08%
1947
195,1
3,63%
1948
202,0
3,54%
1949
214,8
6,31%
1950
234,4
9,12%
1951
256,9
9,64%
1952
256,9
0,00%
1953
256,9
0,00%
1954
267,2
4,00%
1955
272,3
1,91%
1956
277,5
1,90%
1957
295,5
6,49%
1958
300,6
1,73%
1959
303,2
0,85%
1960
310,9
2,55%
1961
316,1
1,67%
1962
322,1
1,92%
1963
334,4
3,82%
1964
352,8
5,50%
1965
371,3
5,23%
1966
392,7
5,78%
1967
405,0
3,13%
1968
420,0
3,69%
1969
451,2
7,45%
1970
471,2
4,42%
1971
506,8
7,55%
1972
546,4
7,82%
1973
590,0
7,99%
1974
646,9
9,64%
1975
712,8
10,19%
1976
775,6
8,81%
1977
827,5
6,69%
1978
861,1
4,05%
1979
897,5
4,23%
1980
956,1
6,53%
1981
1.020,4
6,72%
1982
1.081,2
5,96%
1983
1.111,8
2,83%
1984
1.148,2
3,27%
1985
1.174,0
2,25%
1986
1.175,9
0,17%
1987
1.170,1
-0,49%
1988
1.178,4
0,71%
1989
1.191,4
1,10%
1990
1.220,8
2,47%
1991
1.267,9
3,86%
1992
1.314,9
3,71%
1993
1.342,0
2,06%
1994
1.379,0
2,76%
1995
1.403,6
1,78%
1996
1.433,2
2,11%
1997
1.464,1
2,16%
1998
1.492,2
1,92%
1999
1.524,5
2,17%
2000
1.562,6
2,49%
2001
1.634,3
4,59%
2002
1.689,1
3,36%
2003
1.725,2
2,14%
2004
1.745,6
1,18%
2005
1.775,5
1,71%
2006
1.795,9
1,15%
2007
1.824,8
1,61%
2008
1.870,2
2,49%
2009
1.892,5
1,19%
2010
1.916,6
1,27%
2011
1.961,4
2,34%
2012
2.009,6
2,46%
2013
2.060,0
2,51%
2014
2.080,1
0,98%
2015
2.093,6
0,65%
2016
2.100,3
0,32%
2017
2.129,2
1,38%
2018
2.165,6
1,71%
2019
2.222,6
2,63%
2020
2.250,9
1,27%
2021
2.311,2
2,68%
2022
2.542,3
10,00%
2023
2.639,8
3,84%
2024
2.728,2
3,35%
2025
2.817,2
3,26%
Resultaat
ƒ 100,00 uit 1939 heeft in 2025 een koopkracht van
€ 1.278,38
Tussen 1939 en 2025stegen de prijzen met 2.717,18%, gemiddeld 3,96% per jaar.
Begin- en eindjaar zijn hetzelfde, dus er is geen verschil in koopkracht.
Bron: CBS, maandcijfers tot en met september 2026 en jaarcijfers tot en met 2025 (bijgewerkt op ).