ƒ 100,00 uit 1940 had in 2025 dezelfde koopkracht als
€ 1.114,51
Sinds 1940 is het prijspeil 25 keer zo hoog geworden: de prijzen stegen met 2.356,05%, gemiddeld 3,84% per jaar. Daarbij is omgerekend van gulden naar euro, tegen 2,20371 gulden per euro.
Berekend met de jaargemiddelden van de CBS-prijsindex; 2025 is het meest recente volledige jaar.
Andere bedragen uit 1940
Bedragen uit 1940 en hun koopkracht in 2025
In 1940
In 2025
ƒ 1,00
€ 11,15
ƒ 5,00
€ 55,73
ƒ 10,00
€ 111,45
ƒ 25,00
€ 278,63
ƒ 50,00
€ 557,25
ƒ 100,00
€ 1.114,51
ƒ 250,00
€ 2.786,27
ƒ 500,00
€ 5.572,53
ƒ 1.000,00
€ 11.145,06
ƒ 10.000,00
€ 111.450,62
Omgekeerd had € 100,00 in 2025 dezelfde koopkracht als ƒ 8,97 in 1940.
Inflatie in 1940
In 1940 stegen de prijzen met 14,70% ten opzichte van 1939. Dat is hoger dan het gemiddelde van 2,94% per jaar sinds 1900.
Na 1940 was de inflatie het hoogst in 1945 (15,05%) en het laagst in 1987 (-0,49%).
Het prijspeil sinds 1940, met 1940 als 100. In 2025 was het 2.456,05: sinds 1940 is het prijspeil 25 keer zo hoog geworden.Toon als tabel
Prijspeil van 1940 tot en met 2025 (1940 = 100)
Jaar
Prijspeil (1940 = 100)
Verandering
1940
100,0
–
1941
114,6
14,58%
1942
123,1
7,42%
1943
127,4
3,51%
1944
130,8
2,67%
1945
150,5
15,05%
1946
164,2
9,08%
1947
170,1
3,63%
1948
176,1
3,54%
1949
187,2
6,31%
1950
204,3
9,12%
1951
224,0
9,64%
1952
224,0
0,00%
1953
224,0
0,00%
1954
233,0
4,00%
1955
237,4
1,91%
1956
241,9
1,90%
1957
257,6
6,49%
1958
262,1
1,73%
1959
264,3
0,85%
1960
271,0
2,55%
1961
275,5
1,67%
1962
280,8
1,92%
1963
291,6
3,82%
1964
307,6
5,50%
1965
323,7
5,23%
1966
342,4
5,78%
1967
353,1
3,13%
1968
366,1
3,69%
1969
393,4
7,45%
1970
410,8
4,42%
1971
441,8
7,55%
1972
476,3
7,82%
1973
514,4
7,99%
1974
564,0
9,64%
1975
621,5
10,19%
1976
676,2
8,81%
1977
721,5
6,69%
1978
750,7
4,05%
1979
782,5
4,23%
1980
833,6
6,53%
1981
889,6
6,72%
1982
942,6
5,96%
1983
969,3
2,83%
1984
1.001,0
3,27%
1985
1.023,5
2,25%
1986
1.025,2
0,17%
1987
1.020,1
-0,49%
1988
1.027,3
0,71%
1989
1.038,7
1,10%
1990
1.064,3
2,47%
1991
1.105,4
3,86%
1992
1.146,4
3,71%
1993
1.170,0
2,06%
1994
1.202,2
2,76%
1995
1.223,7
1,78%
1996
1.249,4
2,11%
1997
1.276,4
2,16%
1998
1.300,9
1,92%
1999
1.329,1
2,17%
2000
1.362,3
2,49%
2001
1.424,8
4,59%
2002
1.472,6
3,36%
2003
1.504,1
2,14%
2004
1.521,8
1,18%
2005
1.547,9
1,71%
2006
1.565,7
1,15%
2007
1.590,8
1,61%
2008
1.630,5
2,49%
2009
1.649,9
1,19%
2010
1.670,9
1,27%
2011
1.710,0
2,34%
2012
1.752,0
2,46%
2013
1.795,9
2,51%
2014
1.813,5
0,98%
2015
1.825,2
0,65%
2016
1.831,1
0,32%
2017
1.856,2
1,38%
2018
1.888,0
1,71%
2019
1.937,7
2,63%
2020
1.962,3
1,27%
2021
2.014,9
2,68%
2022
2.216,4
10,00%
2023
2.301,4
3,84%
2024
2.378,5
3,35%
2025
2.456,0
3,26%
Resultaat
ƒ 100,00 uit 1940 heeft in 2025 een koopkracht van
€ 1.114,51
Tussen 1940 en 2025stegen de prijzen met 2.356,05%, gemiddeld 3,84% per jaar.
Begin- en eindjaar zijn hetzelfde, dus er is geen verschil in koopkracht.
Bron: CBS, maandcijfers tot en met september 2026 en jaarcijfers tot en met 2025 (bijgewerkt op ).