ƒ 100,00 uit 1941 had in 2025 dezelfde koopkracht als
€ 972,65
Sinds 1941 is het prijspeil 21 keer zo hoog geworden: de prijzen stegen met 2.043,44%, gemiddeld 3,72% per jaar. Daarbij is omgerekend van gulden naar euro, tegen 2,20371 gulden per euro.
Berekend met de jaargemiddelden van de CBS-prijsindex; 2025 is het meest recente volledige jaar.
Andere bedragen uit 1941
Bedragen uit 1941 en hun koopkracht in 2025
In 1941
In 2025
ƒ 1,00
€ 9,73
ƒ 5,00
€ 48,63
ƒ 10,00
€ 97,26
ƒ 25,00
€ 243,16
ƒ 50,00
€ 486,32
ƒ 100,00
€ 972,65
ƒ 250,00
€ 2.431,62
ƒ 500,00
€ 4.863,24
ƒ 1.000,00
€ 9.726,48
ƒ 10.000,00
€ 97.264,84
Omgekeerd had € 100,00 in 2025 dezelfde koopkracht als ƒ 10,28 in 1941.
Inflatie in 1941
In 1941 stegen de prijzen met 14,58% ten opzichte van 1940. Dat is hoger dan het gemiddelde van 2,94% per jaar sinds 1900.
Na 1941 was de inflatie het hoogst in 1945 (15,05%) en het laagst in 1987 (-0,49%).
Het prijspeil sinds 1941, met 1941 als 100. In 2025 was het 2.143,44: sinds 1941 is het prijspeil 21 keer zo hoog geworden.Toon als tabel
Prijspeil van 1941 tot en met 2025 (1941 = 100)
Jaar
Prijspeil (1941 = 100)
Verandering
1941
100,0
–
1942
107,4
7,42%
1943
111,2
3,51%
1944
114,2
2,67%
1945
131,3
15,05%
1946
143,3
9,08%
1947
148,5
3,63%
1948
153,7
3,54%
1949
163,4
6,31%
1950
178,3
9,12%
1951
195,5
9,64%
1952
195,5
0,00%
1953
195,5
0,00%
1954
203,3
4,00%
1955
207,2
1,91%
1956
211,1
1,90%
1957
224,8
6,49%
1958
228,7
1,73%
1959
230,7
0,85%
1960
236,5
2,55%
1961
240,5
1,67%
1962
245,1
1,92%
1963
254,5
3,82%
1964
268,4
5,50%
1965
282,5
5,23%
1966
298,8
5,78%
1967
308,2
3,13%
1968
319,5
3,69%
1969
343,3
7,45%
1970
358,5
4,42%
1971
385,6
7,55%
1972
415,7
7,82%
1973
448,9
7,99%
1974
492,2
9,64%
1975
542,4
10,19%
1976
590,1
8,81%
1977
629,6
6,69%
1978
655,1
4,05%
1979
682,9
4,23%
1980
727,5
6,53%
1981
776,4
6,72%
1982
822,6
5,96%
1983
845,9
2,83%
1984
873,6
3,27%
1985
893,2
2,25%
1986
894,7
0,17%
1987
890,3
-0,49%
1988
896,6
0,71%
1989
906,4
1,10%
1990
928,8
2,47%
1991
964,7
3,86%
1992
1.000,5
3,71%
1993
1.021,1
2,06%
1994
1.049,2
2,76%
1995
1.067,9
1,78%
1996
1.090,4
2,11%
1997
1.113,9
2,16%
1998
1.135,3
1,92%
1999
1.159,9
2,17%
2000
1.188,9
2,49%
2001
1.243,4
4,59%
2002
1.285,2
3,36%
2003
1.312,6
2,14%
2004
1.328,1
1,18%
2005
1.350,9
1,71%
2006
1.366,4
1,15%
2007
1.388,4
1,61%
2008
1.422,9
2,49%
2009
1.439,9
1,19%
2010
1.458,2
1,27%
2011
1.492,4
2,34%
2012
1.529,0
2,46%
2013
1.567,4
2,51%
2014
1.582,6
0,98%
2015
1.592,9
0,65%
2016
1.598,0
0,32%
2017
1.620,0
1,38%
2018
1.647,7
1,71%
2019
1.691,0
2,63%
2020
1.712,6
1,27%
2021
1.758,4
2,68%
2022
1.934,3
10,00%
2023
2.008,5
3,84%
2024
2.075,7
3,35%
2025
2.143,4
3,26%
Resultaat
ƒ 100,00 uit 1941 heeft in 2025 een koopkracht van
€ 972,65
Tussen 1941 en 2025stegen de prijzen met 2.043,44%, gemiddeld 3,72% per jaar.
Begin- en eindjaar zijn hetzelfde, dus er is geen verschil in koopkracht.
Bron: CBS, maandcijfers tot en met september 2026 en jaarcijfers tot en met 2025 (bijgewerkt op ).