ƒ 100,00 uit 1932 had in 2025 dezelfde koopkracht als
€ 1.264,15
Sinds 1932 is het prijspeil 28 keer zo hoog geworden: de prijzen stegen met 2.685,83%, gemiddeld 3,64% per jaar. Daarbij is omgerekend van gulden naar euro, tegen 2,20371 gulden per euro.
Berekend met de jaargemiddelden van de CBS-prijsindex; 2025 is het meest recente volledige jaar.
Andere bedragen uit 1932
Bedragen uit 1932 en hun koopkracht in 2025
In 1932
In 2025
ƒ 1,00
€ 12,64
ƒ 5,00
€ 63,21
ƒ 10,00
€ 126,42
ƒ 25,00
€ 316,04
ƒ 50,00
€ 632,08
ƒ 100,00
€ 1.264,15
ƒ 250,00
€ 3.160,39
ƒ 500,00
€ 6.320,77
ƒ 1.000,00
€ 12.641,54
ƒ 10.000,00
€ 126.415,43
Omgekeerd had € 100,00 in 2025 dezelfde koopkracht als ƒ 7,91 in 1932.
Inflatie in 1932
In 1932 daalden de prijzen met 7,35% ten opzichte van 1931. Dat is lager dan het gemiddelde van 2,94% per jaar sinds 1900.
Na 1932 was de inflatie het hoogst in 1945 (15,05%) en het laagst in 1935 (-3,38%).
Het prijspeil sinds 1932, met 1932 als 100. In 2025 was het 2.785,83: sinds 1932 is het prijspeil 28 keer zo hoog geworden.Toon als tabel
Prijspeil van 1932 tot en met 2025 (1932 = 100)
Jaar
Prijspeil (1932 = 100)
Verandering
1932
100,0
–
1933
98,9
-1,11%
1934
98,9
0,00%
1935
95,5
-3,38%
1936
93,3
-2,33%
1937
95,5
2,38%
1938
97,8
2,33%
1939
98,9
1,14%
1940
113,4
14,70%
1941
130,0
14,58%
1942
139,6
7,42%
1943
144,5
3,51%
1944
148,4
2,67%
1945
170,7
15,05%
1946
186,2
9,08%
1947
193,0
3,63%
1948
199,8
3,54%
1949
212,4
6,31%
1950
231,8
9,12%
1951
254,1
9,64%
1952
254,1
0,00%
1953
254,1
0,00%
1954
264,2
4,00%
1955
269,3
1,91%
1956
274,4
1,90%
1957
292,2
6,49%
1958
297,3
1,73%
1959
299,8
0,85%
1960
307,4
2,55%
1961
312,5
1,67%
1962
318,5
1,92%
1963
330,7
3,82%
1964
348,9
5,50%
1965
367,1
5,23%
1966
388,4
5,78%
1967
400,5
3,13%
1968
415,3
3,69%
1969
446,2
7,45%
1970
465,9
4,42%
1971
501,1
7,55%
1972
540,3
7,82%
1973
583,5
7,99%
1974
639,7
9,64%
1975
704,9
10,19%
1976
767,0
8,81%
1977
818,3
6,69%
1978
851,5
4,05%
1979
887,5
4,23%
1980
945,5
6,53%
1981
1.009,1
6,72%
1982
1.069,1
5,96%
1983
1.099,4
2,83%
1984
1.135,4
3,27%
1985
1.160,9
2,25%
1986
1.162,8
0,17%
1987
1.157,1
-0,49%
1988
1.165,3
0,71%
1989
1.178,1
1,10%
1990
1.207,2
2,47%
1991
1.253,8
3,86%
1992
1.300,3
3,71%
1993
1.327,1
2,06%
1994
1.363,6
2,76%
1995
1.388,0
1,78%
1996
1.417,2
2,11%
1997
1.447,8
2,16%
1998
1.475,6
1,92%
1999
1.507,6
2,17%
2000
1.545,2
2,49%
2001
1.616,1
4,59%
2002
1.670,3
3,36%
2003
1.706,0
2,14%
2004
1.726,2
1,18%
2005
1.755,7
1,71%
2006
1.775,9
1,15%
2007
1.804,5
1,61%
2008
1.849,4
2,49%
2009
1.871,4
1,19%
2010
1.895,3
1,27%
2011
1.939,6
2,34%
2012
1.987,2
2,46%
2013
2.037,1
2,51%
2014
2.057,0
0,98%
2015
2.070,3
0,65%
2016
2.076,9
0,32%
2017
2.105,5
1,38%
2018
2.141,5
1,71%
2019
2.197,8
2,63%
2020
2.225,8
1,27%
2021
2.285,5
2,68%
2022
2.514,0
10,00%
2023
2.610,5
3,84%
2024
2.697,8
3,35%
2025
2.785,8
3,26%
Resultaat
ƒ 100,00 uit 1932 heeft in 2025 een koopkracht van
€ 1.264,15
Tussen 1932 en 2025stegen de prijzen met 2.685,83%, gemiddeld 3,64% per jaar.
Begin- en eindjaar zijn hetzelfde, dus er is geen verschil in koopkracht.
Bron: CBS, maandcijfers tot en met september 2026 en jaarcijfers tot en met 2025 (bijgewerkt op ).