ƒ 100,00 uit 1938 had in 2025 dezelfde koopkracht als
€ 1.292,93
Sinds 1938 is het prijspeil 28 keer zo hoog geworden: de prijzen stegen met 2.749,24%, gemiddeld 3,93% per jaar. Daarbij is omgerekend van gulden naar euro, tegen 2,20371 gulden per euro.
Berekend met de jaargemiddelden van de CBS-prijsindex; 2025 is het meest recente volledige jaar.
Andere bedragen uit 1938
Bedragen uit 1938 en hun koopkracht in 2025
In 1938
In 2025
ƒ 1,00
€ 12,93
ƒ 5,00
€ 64,65
ƒ 10,00
€ 129,29
ƒ 25,00
€ 323,23
ƒ 50,00
€ 646,46
ƒ 100,00
€ 1.292,93
ƒ 250,00
€ 3.232,32
ƒ 500,00
€ 6.464,64
ƒ 1.000,00
€ 12.929,29
ƒ 10.000,00
€ 129.292,87
Omgekeerd had € 100,00 in 2025 dezelfde koopkracht als ƒ 7,73 in 1938.
Inflatie in 1938
In 1938 stegen de prijzen met 2,33% ten opzichte van 1937. Dat is lager dan het gemiddelde van 2,94% per jaar sinds 1900.
Na 1938 was de inflatie het hoogst in 1945 (15,05%) en het laagst in 1987 (-0,49%).
Het prijspeil sinds 1938, met 1938 als 100. In 2025 was het 2.849,24: sinds 1938 is het prijspeil 28 keer zo hoog geworden.Toon als tabel
Prijspeil van 1938 tot en met 2025 (1938 = 100)
Jaar
Prijspeil (1938 = 100)
Verandering
1938
100,0
–
1939
101,1
1,14%
1940
116,0
14,70%
1941
132,9
14,58%
1942
142,8
7,42%
1943
147,8
3,51%
1944
151,7
2,67%
1945
174,6
15,05%
1946
190,4
9,08%
1947
197,3
3,63%
1948
204,3
3,54%
1949
217,2
6,31%
1950
237,0
9,12%
1951
259,9
9,64%
1952
259,9
0,00%
1953
259,9
0,00%
1954
270,3
4,00%
1955
275,4
1,91%
1956
280,7
1,90%
1957
298,9
6,49%
1958
304,0
1,73%
1959
306,6
0,85%
1960
314,4
2,55%
1961
319,7
1,67%
1962
325,8
1,92%
1963
338,2
3,82%
1964
356,8
5,50%
1965
375,5
5,23%
1966
397,2
5,78%
1967
409,6
3,13%
1968
424,7
3,69%
1969
456,4
7,45%
1970
476,6
4,42%
1971
512,5
7,55%
1972
552,6
7,82%
1973
596,7
7,99%
1974
654,2
9,64%
1975
720,9
10,19%
1976
784,4
8,81%
1977
836,9
6,69%
1978
870,9
4,05%
1979
907,7
4,23%
1980
967,0
6,53%
1981
1.032,0
6,72%
1982
1.093,5
5,96%
1983
1.124,4
2,83%
1984
1.161,2
3,27%
1985
1.187,3
2,25%
1986
1.189,3
0,17%
1987
1.183,5
-0,49%
1988
1.191,8
0,71%
1989
1.204,9
1,10%
1990
1.234,7
2,47%
1991
1.282,3
3,86%
1992
1.329,9
3,71%
1993
1.357,3
2,06%
1994
1.394,7
2,76%
1995
1.419,6
1,78%
1996
1.449,5
2,11%
1997
1.480,7
2,16%
1998
1.509,2
1,92%
1999
1.541,9
2,17%
2000
1.580,3
2,49%
2001
1.652,9
4,59%
2002
1.708,3
3,36%
2003
1.744,8
2,14%
2004
1.765,5
1,18%
2005
1.795,7
1,71%
2006
1.816,3
1,15%
2007
1.845,5
1,61%
2008
1.891,5
2,49%
2009
1.914,0
1,19%
2010
1.938,4
1,27%
2011
1.983,8
2,34%
2012
2.032,5
2,46%
2013
2.083,5
2,51%
2014
2.103,8
0,98%
2015
2.117,5
0,65%
2016
2.124,2
0,32%
2017
2.153,4
1,38%
2018
2.190,3
1,71%
2019
2.247,9
2,63%
2020
2.276,5
1,27%
2021
2.337,5
2,68%
2022
2.571,2
10,00%
2023
2.669,9
3,84%
2024
2.759,3
3,35%
2025
2.849,2
3,26%
Resultaat
ƒ 100,00 uit 1938 heeft in 2025 een koopkracht van
€ 1.292,93
Tussen 1938 en 2025stegen de prijzen met 2.749,24%, gemiddeld 3,93% per jaar.
Begin- en eindjaar zijn hetzelfde, dus er is geen verschil in koopkracht.
Bron: CBS, maandcijfers tot en met september 2026 en jaarcijfers tot en met 2025 (bijgewerkt op ).